ECLI:NL:CRVB:2015:1038
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag wegens ontbreken verblijfstitel volgens AKW
Appellante en haar gezin, gevlucht uit Azerbeidzjan en woonachtig in Nederland, vroegen kinderbijslag aan. Deze werd geweigerd omdat appellante niet beschikte over een geldige verblijfstitel zoals vereist in artikel 6, tweede lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
De rechtbank wees het beroep van appellante af en ook in hoger beroep handhaafde de Centrale Raad van Beroep deze beslissing. Appellante voerde aan dat internationale mensenrechtennormen en verdragen een individuele afweging vereisten en dat schrijnende omstandigheden toepassing van het koppelingsbeginsel zouden moeten uitsluiten.
De Raad oordeelde echter dat het beroep op artikel 8 en Pro 14 EVRM, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Europees Sociaal Handvest en het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind niet tot een andere uitkomst leidt. Er waren geen schrijnende omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen. De Svb werd niet veroordeeld tot schadevergoeding en de bestreden uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag wegens het ontbreken van een verblijfstitel.