ECLI:NL:CRVB:2015:10
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- J.J.A. Kooijman
- W.J.A.M. van Brussel
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen terugvordering en verrekening te veel ontvangen BWOO-uitkering
Appellant ontving van juni 2006 tot juni 2011 een BWOO-uitkering. De minister stelde vast dat appellant een te hoge uitkering had ontvangen en vorderde dit bedrag terug. Appellant maakte bezwaar tegen de terugvordering en de verrekening daarvan. De rechtbank verklaarde het bezwaar deels gegrond en bepaalde dat de minister opnieuw moest beslissen over de verrekening van de uitkering over de periode januari 2010 tot juni 2011.
De minister nam een nieuw besluit waarin het te veel ontvangen bedrag werd vastgesteld en de verrekening werd bevestigd. Appellant stelde dat de terugvordering onterecht was omdat hij niet hoefde te melden dat zijn WW-uitkering was geïndexeerd en dat de hoogte van de terugvordering onvoldoende inzichtelijk was. De Raad oordeelde dat appellant wel verplicht was wijzigingen in zijn WW-uitkering te melden, ook als gevolg van wettelijke indexering.
De Raad stelde echter vast dat de minister de hoogte van de terugvordering onvoldoende had onderbouwd en dat het overzicht met de berekening onjuistheden bevatte. Daarom vernietigde de Raad het besluit van 9 maart 2012 en het besluit van 14 maart 2013, maar liet de rechtsgevolgen van deze besluiten in stand omdat het te veel betaalde bedrag aannemelijk was. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De besluiten tot terugvordering van te veel ontvangen BWOO-uitkering worden vernietigd wegens onvoldoende onderbouwing, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.