Uitspraak
OVERWEGINGEN
.Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met [betrokkene] ([betrokkene]) op het adres [adres] te [woonplaats] (uitkeringsadres).
Centrale Raad van Beroep
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Enschede om een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ) te weigeren. Het college baseerde de weigering op het oordeel dat appellant en betrokkene een gezamenlijke huishouding voerden, waardoor geen recht op de voorziening zou bestaan.
De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, onder meer vanwege de door appellant ingevulde checklist en verklaringen die wederzijdse zorg aannemelijk maakten. In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep echter dat deze checklist geen doorslaggevende betekenis heeft en dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de feitelijke situatie.
Op basis van nader onderzoek, waaronder een huisbezoek en getuigenverklaringen, blijkt dat betrokkene wel zorg aan appellant bood, maar dat appellant geen wezenlijke bijdrage leverde aan de huishouding. Er was geen sprake van financiële verstrengeling of een zakelijke huurrelatie. Daarom is geen gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, derde lid, WIJ vastgesteld.
De Raad vernietigt de eerdere uitspraak en het bestreden besluit, herroept het besluit van 15 juni 2010 en bepaalt dat het college aan appellant met ingang van 7 oktober 2009 een inkomensvoorziening toekent. Tevens wordt het college veroordeeld in de kosten van appellant en wordt het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het college wordt verplicht een inkomensvoorziening toe te kennen vanaf 7 oktober 2009 wegens ontbreken gezamenlijke huishouding.