ECLI:NL:CRVB:2014:870
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.F. Bandringa
- G.M.G. Hink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellante en appellant ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) als alleenstaande ouder respectievelijk alleenstaande. Uit onderzoek van de gemeente Rotterdam bleek dat zij sinds 1 december 2010 een gezamenlijke huishouding voeren, ondanks dat zij in de GBA op verschillende adressen stonden ingeschreven.
De Raad stelde vast dat appellant zijn hoofdverblijf had op het adres van appellante, waar ook hun vier kinderen woonden. Dit werd onderbouwd met verklaringen van appellanten, buurtbewoners, waarnemingen en een onaangekondigd huisbezoek. De verklaringen waren consistent en niet onder druk afgelegd.
De rechtbank had het bezwaar tegen de intrekking en terugvordering van bijstand ongegrond verklaard. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak, oordeelt dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding en wijst het hoger beroep af. De terugvordering van bijstand blijft gehandhaafd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd.