ECLI:NL:CRVB:2014:862
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering persoonsgebonden budget wegens ontbreken woonadres in GBA
Appellant verzocht om een persoonsgebonden budget (pgb) voor de periode van 8 januari 2011 tot en met 13 juli 2011, maar dit werd geweigerd door het Zorgkantoor op grond van artikel 2.6.4, tweede lid, aanhef en onder g, van de Regeling subsidies AWBZ, omdat appellant volgens de gemeentelijke basisadministratie (GBA) niet beschikte over een woonadres.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij wel degelijk in de betreffende periode in [woonplaats] woonde, ondanks het ontbreken van een woonadres in de GBA. Hij voerde aan dat het strikt vasthouden aan de letterlijke tekst van de Regeling excessief formalisme was en dat het Zorgkantoor ten onrechte het pgb had geweigerd.
De Raad oordeelde dat de weigering van het pgb op basis van het ontbreken van een woonadres in de GBA de verzekeringskring onder artikel 5 van Pro de AWBZ niet beperkt, aangezien de zorg ook in natura kan worden geleverd. De toelichting op de Regeling onderstreept het belang van een solide pgb-regeling en de noodzaak van regulering van de instroom. Daarom kon het betoog van appellant niet leiden tot een ander oordeel.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het persoonsgebonden budget wegens het ontbreken van een woonadres in de GBA.