ECLI:NL:CRVB:2014:790
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijk hoofdverblijf vanaf 13 juni 2008
Appellanten ontvingen bijstand tot 2006 en daarna afzonderlijk bijstand als alleenstaande ouder en alleenstaande. Het college vermoedde dat zij samenwoonden en startte een onderzoek, waarbij buurtbewoners, nutsbedrijven en politiegegevens werden geraadpleegd. Het college trok vervolgens de bijstand van appellanten in en vorderde het teveel betaalde terug over de periode vanaf 2007 respectievelijk 2008.
De rechtbank vernietigde deze besluiten omdat onvoldoende was bewezen dat appellant vanaf 2007 zijn hoofdverblijf bij appellante had. De rechtbank baseerde zich op een gesprek in 2008, maar appellanten stelden dat dit gesprek pas in 2010 plaatsvond. Het college stelde daarop nieuwe besluiten vast met een intrekkingsdatum van 13 juni 2008.
De Raad oordeelt dat appellant in ieder geval vanaf 13 juni 2008, de datum van een kinderrechterlijk vonnis tegen hun zoon, zijn hoofdverblijf had bij appellante. Dit volgt uit verklaringen van betrokken instanties en het advies van politie en jeugdzorg. De Raad vernietigt de eerdere opdrachten en besluiten, maar laat de rechtsgevolgen van de besluiten van 15 mei 2012 in stand vanaf deze datum. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De rechtsgevolgen van de besluiten tot intrekking en terugvordering bijstand blijven in stand vanaf 13 juni 2008.