ECLI:NL:CRVB:2014:770
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag wegens ontbreken ingezetenschap per 1 april 2011
Appellant, geboren in 1945, had van 1969 tot 2001 in Nederland gewoond en was daarna naar Marokko teruggekeerd. Vanaf 1 juli 2010 ontving hij een AOW-pensioen. Vanaf 4 maart 2011 verbleef hij weer in Nederland en schreef zich op 18 maart 2011 in bij de gemeentelijke basisadministratie. Op 30 maart 2011 vroeg hij kinderbijslag aan, welke op 21 april 2011 werd afgewezen omdat hij op 1 april 2011 niet als ingezetene werd beschouwd.
De rechtbank oordeelde dat appellant niet verzekerd was omdat er geen duurzame persoonlijke band met Nederland bestond. Dit oordeel werd bekrachtigd door de Centrale Raad van Beroep. De Raad overwoog dat het enkel melden van intentie tot vestiging, het bezit van Nederlandse nationaliteit door appellant en zijn kinderen, en het feit dat de kinderen in Nederland wonen, onvoldoende zijn om ingezetenschap aan te nemen. Appellant beschikte niet over zelfstandige woonruimte en had een beperkt inkomen.
De Raad baseerde zich op jurisprudentie van de Hoge Raad en eerdere uitspraken van de Raad zelf, waarin is bepaald dat voor ingezetenschap een duurzame persoonlijke band vereist is, maar dat economische banden niet noodzakelijk zijn. De Raad zag geen reden om het besluit van de Sociale verzekeringsbank te vernietigen en bevestigde de afwijzing van de kinderbijslag.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant op 1 april 2011 geen ingezetene was en wijst het hoger beroep af.