Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2014:73

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 januari 2014
Publicatiedatum
17 januari 2014
Zaaknummer
12-2222 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herziening intrekking WAO-uitkering wegens geen nieuw feit of veranderde omstandigheid

Appellant ontving vanaf 31 december 2001 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Op 11 juni 2002 trok het UWV deze uitkering in, omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht en geschikt was voor zijn eigen werk. Appellant deed geen bezwaar tegen dit besluit.

In 2010 verzocht appellant om herziening van het besluit op grond van een nieuwe diagnose ADD, maar dit verzoek werd door het UWV afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond, omdat de nieuwe diagnose geen relevant nieuw feit of veranderde omstandigheid vormde volgens artikel 4:6 Awb Pro.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt en voerde een nieuwe diagnose Asperger aan. De Raad overwoog dat stukken die niet bij het UWV bekend waren ten tijde van het bestreden besluit niet in de beoordeling konden worden betrokken. De Raad bevestigde dat geen nieuw feit of veranderde omstandigheid was gebleken en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de intrekking van de WAO-uitkering wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuw feit of veranderde omstandigheid.

Uitspraak

12/2222 WAO
Datum uitspraak: 17 januari 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van
8 maart 2012, 11/2034 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats](appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J. Heek hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft stukken ingezonden met betrekking tot een nieuw herzieningsverzoek. Het Uwv heeft daarop gereageerd. Appellant heeft een vraag van de Raad beantwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. U. van Ophoven, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.

OVERWEGINGEN

1.1. Na appellants uitval met psychische klachten voor zijn werk als financieel adviseur, heeft het Uwv aan appellant met ingang van 31 december 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Bij besluit van 11 juni 2002 heeft het Uwv de
WAO-uitkering met ingang van 1 juli 2002 ingetrokken omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Aan die beslissing lag de overweging ten grondslag dat appellant weer geschikt was om zijn eigen werk als financieel adviseur voor 38 uur per week te verrichten. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.
1.2. Appellant heeft met een brief van 5 oktober 2010 het Uwv verzocht het besluit van
11 juni 2002 te herzien, omdat inmiddels was gebleken dat hij lijdt aan ADD. Hij vind het onzorgvuldig dat de verzekeringsarts destijds deze stoornis niet heeft opgemerkt. Bij besluit van 14 december 2010 heeft het Uwv het verzoek van appellant afgewezen. Het Uwv heeft bij besluit van 15 juli 2011 (bestreden besluit) het bezwaar van appellant tegen die afwijzing ongegrond verklaard en zijn afwijzing gehandhaafd.
2.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de nieuw gestelde diagnose van ADD geen relevant nieuw feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is en dat het Uwv met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van 11 juni 2002 heeft kunnen afwijzen.
3.
In hoger beroep heeft appellant gemotiveerd zijn standpunt herhaald dat het Uwv wel terug had moeten komen van het besluit van 11 juni 2002. Tevens heeft appellant stukken ingezonden die betrekking hebben op een nieuw verzoek om herziening van het besluit van
11 juni 2002, omdat inmiddels ook sprake is van Asperger, een autisme spectrum stoornis.
4.
De Raad overweegt het volgende.
4.1.
Aan de orde is de overeenkomstige toepassing van artikel 4:6 van Pro de Awb. Voor het door de rechter te hanteren toetsingskader wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van
6 november 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AN7838. Zoals het Uwv, met verwijzing naar een uitspraak van de Raad, in het bestreden besluit terecht heeft opgemerkt, speelt de evidente onjuistheid van een besluit waarvan terugkoming wordt gevraagd geen rol meer. Het is ook vaste rechtspraak van de Raad (ECLI:NL:CRVB:2010:BM1946) dat in gedingen als de onderhavige uit de aard van de zaak bij de beoordeling van het bestreden besluit niet kunnen worden betrokken de door appellant in hoger beroep overgelegde stukken, die niet bij het Uwv bekend waren ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Voor deze zaak leidt dat tot het volgende.
4.2.
Aan de door appellant in hoger beroep ingezonden stukken gaat de Raad voorbij, nu deze stukken ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet bij het Uwv bekend waren. Verder heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat de door appellant ingebrachte stukken tot het moment waarop het bestreden besluit is genomen geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb bevatten en dat het Uwv dan ook met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6 van Pro de Awb het verzoek van appellant heeft kunnen afwijzen.
5.
De overwegingen in 4.1 en 4.2 leiden tot het oordeel dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2014.
(getekend) M.C. Bruning
(getekend) I.J. Penning
sg