ECLI:NL:CRVB:2014:643
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.Th. Wolleswinkel
- J.N.A. Bootsma
- B.J. van de Griend
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtmatigheid SBF-uitkering en ontslagdatum bij substantieel bezwarende functie
Appellant, werkzaam in een substantieel bezwarende functie bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, werd met ingang van 1 april 2010 buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging verleend en ontving een SBF-uitkering. De einddatum van deze uitkering werd vastgesteld op 1 mei 2013, conform berekening door het pensioenfonds ABP. Appellant maakte bezwaar tegen de hoogte en duur van de uitkering en de mogelijkheid tot langer doorwerken, maar dit werd door de minister afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het ontslagbesluit gebonden was aan de ontslagdatum volgens het ARAR en de SBF-regeling. De Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de SBF-regeling een algemeen verbindend voorschrift is, waarbij geen ernstige gebreken zijn vastgesteld die het gebruik ervan in concrete besluiten zouden verbieden.
De Raad wijst erop dat de lagere netto-uitkering het gevolg is van fiscale inhoudingen waar de minister geen invloed op heeft. Ook is vastgesteld dat appellant geen verzoek tot langer doorwerken of tweede aanstelling heeft ingediend, zodat deze aspecten niet aan de orde zijn. Het hoger beroep wordt verworpen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het bestreden besluit inzake de SBF-uitkering en ontslagdatum wordt bevestigd.