ECLI:NL:CRVB:2014:605
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag op staande voet
Appellant werd ontslagen op staande voet wegens ongeoorloofde afwezigheid en vroeg daarop een WW-uitkering aan, die het UWV blijvend geheel weigerde wegens verwijtbare werkloosheid. Na een bezwaarprocedure en een regeling bij de kantonrechter waarbij het ontslag op staande voet werd ingetrokken en de arbeidsovereenkomst ontbonden per 17 november 2011, diende appellant een herhaalde aanvraag WW-uitkering in. Het UWV wees deze opnieuw af omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die herziening rechtvaardigden.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit omdat er wel nieuwe feiten waren, namelijk de intrekking van het ontslag en de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat het ontslag terecht was en appellant verwijtbaar werkloos was. In hoger beroep betoogde appellant dat geen sprake was van verwijtbaarheid.
De Centrale Raad oordeelt dat de regeling bij de kantonrechter en de ontbinding van de arbeidsovereenkomst geen nieuwe feiten zijn die het oorspronkelijke besluit kunnen wijzigen, omdat het moment van werkloosheid ongewijzigd blijft. De Raad bevestigt dat geen inhoudelijke toetsing van verwijtbaarheid plaatsvindt bij herhaalde aanvragen zonder zeer bijzondere omstandigheden. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid.