ECLI:NL:CRVB:2014:586
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellant en betrokkene waren gehuwd en hebben drie kinderen samen. Betrokkene ontving bijstand als alleenstaande ouder, maar het college stelde na onderzoek vast dat appellant en betrokkene gedurende de periode van 13 maart 2007 tot en met 31 maart 2011 een gezamenlijke huishouding voerden. Hierdoor had betrokkene geen recht op bijstand volgens de norm voor een alleenstaande ouder.
Het college trok de bijstand van betrokkene in en vorderde de kosten terug, mede van appellant. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat hij niet met betrokkene samenwoonde, maar slechts zijn kinderen bezocht en dat het onderzoek onvoldoende was.
De Raad oordeelde dat er voldoende feitelijke grondslag is voor het standpunt van het college. Verklaringen van appellant en betrokkene, het huurcontract, inschrijving in de GBA, postadres, pintransacties en verklaringen van buren bevestigen dat appellant en betrokkene hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.