ECLI:NL:CRVB:2014:461
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellanten ontvingen bijstand, waarbij appellante aanvankelijk als alleenstaande en later als alleenstaande ouder werd gekwalificeerd. Het college vermoedde dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden en startte onderzoek, dat leidde tot intrekking en terugvordering van bijstand.
De Raad beoordeelde of appellanten in de relevante periode een gezamenlijke huishouding voerden. Gelet op de wettelijke definitie en het feit dat zij samen een kind hebben, was de vraag of zij hun hoofdverblijf op hetzelfde adres hadden. Ondanks dat zij op verschillende adressen stonden ingeschreven, wezen verklaringen en onderzoek uit dat zij feitelijk samenwoonden.
Appellanten voerden aan dat hun verklaringen onder druk waren afgelegd, maar de Raad vond deze stelling niet aannemelijk. De verklaringen waren gedetailleerd, ondertekend en werden ondersteund door getuigenverklaringen. Het college had voldoende bewijs om de intrekking en terugvordering te rechtvaardigen.
De Raad verwierp ook het bezwaar dat de terugvordering onnodig was opgelopen, omdat appellanten nalieten de gezamenlijke huishouding te melden en het college pas na vermoedens en onderzoek handelde. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding worden bevestigd.