ECLI:NL:CRVB:2014:4473
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding ondanks mantelzorg
Appellante ontving bijstand als alleenstaande, maar het college stelde na onderzoek vast dat zij vanaf 1 mei 2011 feitelijk haar hoofdverblijf had bij een ander en een gezamenlijke huishouding voerde. Dit leidde tot intrekking van haar bijstand.
De Raad beoordeelde of voldoende feitelijke grondslag bestond voor het standpunt van het college. Uit verklaringen, waarnemingen en dossieronderzoek bleek dat appellante hoofdzakelijk verbleef bij de ander, zorg verleende en financiële en huishoudelijke taken deelde. De Raad verwierp het verweer dat de verklaringen niet betrouwbaar waren en dat mantelzorg de gezamenlijke huishouding uitsloot.
De Raad oordeelde dat de gezamenlijke huishouding objectief moet worden beoordeeld en dat mantelzorg een relevante maar niet doorslaggevende factor is. Appellante had onvoldoende melding gedaan van haar gewijzigde woonsituatie. De intrekking van de bijstand werd bevestigd en het hoger beroep verworpen.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd en het hoger beroep verworpen.