De zaak betreft een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Haarlem inzake een WIA-uitkering toegekend aan een werknemer. Het UWV stelde dat appellante geen financieel belang had bij de procedure, maar de Raad erkende wel belang vanwege de lange duur van de procedure.
De procedure duurde in totaal acht jaar en vijf maanden, waarbij de rechterlijke fase zeven jaar en drie maanden in beslag nam, wat een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn betekent. De Raad oordeelde dat het UWV het gebrek in het besluit niet had hersteld en dat er geen causaal verband bestond tussen het vermeende arbeidsplaatsbehoud door de werknemer en het besluit tot toekenning van de uitkering.
De Raad veroordeelde het UWV tot een schadevergoeding van €1.000,- voor de overschrijding in de bezwaarfase en de Staat tot een vergoeding van €4.000,- voor de overschrijding in de rechterlijke fase. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van griffierechten en proceskosten van appellante. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit werden vernietigd.