ECLI:NL:CRVB:2014:4297

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 december 2014
Publicatiedatum
18 december 2014
Zaaknummer
13-6678 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Disciplinair ontslag wegens ernstig plichtsverzuim door het opmaken van valse documenten voor hypotheekverstrekking

In deze zaak gaat het om een disciplinair ontslag van een politiemedewerker, appellant, wegens ernstig plichtsverzuim. Appellant was sinds 18 april 2008 werkzaam bij de politieregio Hollands Midden. Hij had in 2005 samen met zijn toenmalige partner een woning gekocht en na hun relatiebreuk onderzocht hij de mogelijkheden om de hypotheek op naam van zijn nieuwe partner over te zetten. In dit kader kwam hij in contact met V, die een valse werkgeversverklaring en salarisstrook opstelde. Dit leidde tot een strafrechtelijk onderzoek naar hypotheekfraude, waarbij appellant op 19 januari 2011 een verklaring aflegde. Een disciplinair onderzoek volgde, maar aanvankelijk werd er geen aanleiding gezien voor disciplinaire maatregelen. Echter, na verdere onderzoeken en getuigenverklaringen, waaronder die van V, werd appellant op 13 april 2012 disciplinair ontslagen wegens toerekenbaar ernstig plichtsverzuim. De korpschef oordeelde dat appellant had meegewerkt aan ontoelaatbare constructies die zijn integriteit in twijfel trokken.

De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep tegen het ontslag ongegrond. Appellant ging in hoger beroep, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De Raad oordeelde dat de korpschef bevoegd was om disciplinair te straffen en dat het ontslag niet onevenredig was aan het gepleegde plichtsverzuim. De Raad concludeerde dat de gedragingen van appellant, die plaatsvonden kort voor zijn indiensttreding, relevant waren voor zijn functioneren binnen de politie. Ook werd overwogen dat er onvoldoende aanwijzingen waren voor twijfel aan zijn geestelijke gezondheidstoestand ten tijde van de feiten. De Raad bevestigde dat het disciplinair ontslag in rechte standhoudt en dat de beroepsgronden tegen het subsidiaire ongeschiktheidsontslag buiten bespreking konden blijven.

Uitspraak

13/6678 AW
Datum uitspraak: 18 december 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
6 november 2013, 12/10880 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de korpschef van politie (korpschef)
PROCESVERLOOP
Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio Hollands Midden, ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld, waarna mr. R.R. Ismail, advocaat, zich als zijn gemachtigde heeft gesteld en de gronden van het hoger beroep heeft ingediend.
De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ismail. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. G. Revet.

OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het navolgende.
1.1.
Appellant was sinds 18 april 2008 aangesteld in de functie van politiemedewerker bij de politieregio Hollands Midden.
1.2.
Met zijn toenmalige partner K heeft appellant in 2005 een woning gekocht in Zoetermeer. Op deze woning werd een hypotheek gevestigd. Na het einde van de relatie met K heeft appellant met zijn nieuwe partner O de mogelijkheden onderzocht van het overzetten van de hypotheek op naam van O. Appellant is daarbij in contact gekomen met V, die een werkgeversverklaring en een intentieverklaring heeft opgesteld voor O, waarna de hypotheek kon worden overgezet op naam van O.
1.3.
In het kader van het strafrechtelijk onderzoek ‘Jeneverbes’, naar onder meer hypotheekfraude van het bedrijf [BV] door V, heeft een doorzoeking plaatsgevonden, waarbij een door appellant ondertekend document is aangetroffen. Appellant heeft op 19 januari 2011 een verklaring afgelegd over dit document.
1.4.
Op 10 maart 2011 is een disciplinair onderzoek gestart, omdat werd vermoed dat appellant op 19 januari 2011 een leugenachtige verklaring had afgelegd. Appellant is op
10 maart 2011 als getuige gehoord in het hypotheekfraudeonderzoek, waarna is geconcludeerd dat de leugenachtigheid van de verklaring van 19 januari 2011 niet is komen vast te staan. De korpschef heeft op 8 juni 2011 aan appellant laten weten geen aanleiding te zien tot het treffen van disciplinaire maatregelen.
1.5.
Op 6 juli 2011 is V als verdachte gehoord in het hypotheekfraudeonderzoek. Hij heeft onder meer verklaard dat hij voor O een valse salarisstrook heeft opgemaakt, deze vervolgens
per e-mail naar appellant heeft gestuurd en dat hij daarvoor een geldbedrag van tussen
€ 500,- en € 1.000,- heeft ontvangen.
1.6.
De korpschef heeft vervolgens nader onderzoek verricht en daarover op
29 september 2011 een proces-verbaal van bevindingen opgesteld. Daarnaast is onder leiding van de officier van justitie te Den Haag een opsporingsonderzoek uitgevoerd. Van dit onderzoek is op 20 december 2011 een proces-verbaal opgemaakt.
1.7.
Na een voornemen daartoe, waarop appellant zijn zienswijze heeft gegeven, heeft de korpschef bij besluit van 13 april 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van
9 oktober 2012 (bestreden besluit), aan appellant primair de straf van disciplinair ontslag opgelegd wegens toerekenbaar ernstig plichtsverzuim. Subsidiair is aan appellant ontslag verleend wegens ongeschiktheid anders dan wegens ziekte of gebrek. Aan het door de korpschef geconstateerde plichtsverzuim is ten grondslag gelegd dat appellant blijk heeft gegeven ontvankelijk te zijn voor en heeft meegewerkt aan ontoelaatbare en tegenwettelijke constructies, waardoor de integriteit van appellant niet langer vaststaat.
1.8.
Het gerechtshof Den Haag heeft appellant op 12 augustus 2013 veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren voor het opzettelijk overleggen van een valse werkgeversverklaring en een valse salarisspecificatie aan de ABN-AMRO Hypothekengroep.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.1.
In artikel 76, eerste lid, van het Barp is bepaald dat een ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair kan worden gestraft. Ingevolge het tweede lid omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van een voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.
4.1.2.
Artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Barp bepaalt dat de disciplinaire straf van ontslag kan worden opgelegd.
4.2.
Appellant heeft aangevoerd dat plichtsverzuim niet kan worden vastgesteld op basis van één onbetrouwbare verklaring van V. Appellant wist niet dat gebruik werd gemaakt van een valse salarisstrook. Hij heeft daarover nooit met V gesproken. Na ontvangst van de documenten heeft hij ze doorgestuurd aan zijn tussenpersoon, die vervolgens de aanvraag heeft verricht. Omdat hij veel problemen had met K heeft appellant daarbij niet opgelet. Appellant wordt in dit betoog niet gevolgd. De korpschef heeft zich gebaseerd op deugdelijk vastgestelde gegevens. V heeft over het verstrekken van de salarisstrook en werkgeversverklaring een consistente verklaring afgelegd. De korpschef heeft zich niet enkel op deze verklaring gebaseerd, maar ook op de vaststelling dat een salarisstrook is verstrekt door V, terwijl appellant wist dat O nooit het werk had verricht waarvoor de salarisstrook werd afgegeven. Bovendien heeft appellant voor deze verstrekking een bedrag aan V overgemaakt. Naar het oordeel van de Raad rechtvaardigt dit de conclusie dat appellant de door V aangeleverde documenten willens en wetens heeft gebruikt voor de wijziging van de tenaamstelling van de hypotheek en er geen sprake was van onoplettendheid door zijn problemen met K.
4.3.
Voorts is door appellant aangevoerd dat de gedragingen zijn verricht in de periode dat appellant nog niet in dienst was bij de politie en daardoor niet relevant zijn voor de uitoefening van zijn werkzaamheden bij de politieregio Hollands Midden. Dit betoog slaagt niet, omdat het aanleveren van de valse salarisstrook en werkgeversverklaring (kort) voor de indiensttreding bij de politieregio Hollands-Midden, niet een op zichzelf staande gebeurtenis vormt. Appellant heeft immers ook na zijn indiensttreding de vruchten geplukt van deze gedraging, nu hij de hypotheek met een gewijzigde tenaamstelling kon voortzetten. De korpschef mocht hieraan de gevolgtrekking verbinden dat appellant zich door dit handelen ontvankelijk heeft getoond voor en heeft meegewerkt aan ontoelaatbare en tegenwettelijke constructies, waardoor de voor de functievervulling benodigde integriteit niet langer vaststaat.
4.4.
Appellant heeft erop gewezen dat hij in gesprekken met zijn werkgever kenbaar heeft gemaakt dat hij te kampen had met psychische problemen, waardoor de korpschef de verplichting had om te laten onderzoeken of appellant de verweten gedraging kan worden toegerekend.
Dit betoog kan appellant niet baten. Deze gesprekken leveren onvoldoende aanwijzing op voor twijfel aan zijn geestelijke gezondheidstoestand ten tijde van belang. Dat appellant in 2008 hulp heeft gekregen van een counselor en maatschappelijk werker maakt dat niet anders.
4.5.
Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat hij, gelet op de inhoud van de brief van 8 juni 2011, er in alle redelijkheid op mocht vertrouwen dat in deze kwestie geen verdere stappen zouden worden ondernomen. Dit betoog slaagt niet. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan volgens vaste rechtspraak (CRvB 19 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4735) alleen slagen als het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen heeft gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Aan deze eisen wordt in dit geval niet voldaan. De brief van 8 juni 2011 ziet namelijk op de verklaring die appellant op
19 januari 2011 heeft afgelegd. De inhoud van die brief is dan ook niet van betekenis voor uitkomsten van het strafrechtelijk onderzoek en het disciplinair onderzoek dat daarna is verricht. Deze onderzoeken hadden betrekking op nieuwe feiten en omstandigheden die zich na 19 januari 2011 voordeden, die de vraag rechtvaardigden of appellant gebruik had gemaakt van een valse salarisstrook en werkgeversverklaring voor het wijzigen van de tenaamstelling van de hypotheek.
4.6.
Gezien wat onder 4.2 tot en met 4.5 is overwogen, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de korpschef bevoegd was om appellant disciplinair te straffen wegens ernstig toerekenbaar plichtsverzuim. De Raad acht het bij het bestreden besluit gehandhaafde strafontslag, gezien de aard en ernst van de gedragingen, de betekenis hiervan voor het functioneren van appellant binnen de politiedienst en de terecht gestelde eisen met betrekking tot betrouwbaarheid en integriteit van medewerkers van die dienst, niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. Dat de financiële gevolgen van het ontslag ingrijpend zijn, leidt niet tot een ander oordeel.
4.7.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het disciplinair ontslag in rechte stand houdt. De beroepsgronden tegen het subsidiair opgelegde ongeschiktheidsontslag kunnen daarom buiten bespreking blijven. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en E.J.M. Heijs en M.T. Boerlage als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2014.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) C. Moustaïne

HD