ECLI:NL:CRVB:2014:4263
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op bijzondere bijstand voor terugvordering advocaatkosten door Raad voor Rechtsbijstand
Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor de eigen bijdrage in de kosten van rechtsbijstand, nadat de Raad voor Rechtsbijstand (Rvr) met terugwerkende kracht vaststelde dat hij geen recht had op vergoeding vanwege een te hoog inkomen in eerdere jaren. Hierdoor moest appellant de advocaatkosten zelf betalen en werd het bedrag van € 646,54 door de Rvr teruggevorderd.
Het college wees de aanvraag af omdat de kosten niet als noodzakelijke kosten in de zin van de WWB werden beschouwd, mede omdat de Wet op de Rechtsbijstand als voorliggende voorziening geldt. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat het om een verhaalsvordering ging en dat zijn financiële situatie slecht was op het moment van de rekening.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant feitelijk bijzondere bijstand vroeg voor de betaling van een schuld, maar dat hij ten tijde van de aanvraag en daarvoor over voldoende middelen beschikte om in zijn noodzakelijke kosten te voorzien. De financiële gevolgen van de vordering zouden zich pas bij invordering voordoen en een betalingsregeling werd overwogen. Daarom bleef de afwijzing van bijzondere bijstand terecht. Het college werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Appellant krijgt geen bijzondere bijstand voor de terugvordering van advocaatkosten door de Raad voor Rechtsbijstand.