ECLI:NL:CRVB:2014:4148

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 december 2014
Publicatiedatum
11 december 2014
Zaaknummer
13-6487 AOW-T
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:1 Algemeen inkomensbesluit sociale zekerheidswettenPensioenwetArt. 8:108 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:80a Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afkoopsom pensioen behoort toe aan periode na pensioengerechtigde leeftijd en mag niet worden verrekend met AOW-partnertoeslag vooraf

Appellant ontvangt sinds 2008 een AOW-pensioen met partnertoeslag. In 2010 ontving zijn partner een afkoopsom van het pensioenfonds. De Sociale verzekeringsbank (Svb) verrekende deze afkoopsom met de partnertoeslag, wat leidde tot een terugvordering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.

De Raad overweegt dat de afkoopsom als overig inkomen moet worden gezien en in beginsel verrekend moet worden met de toeslag. Echter, het beleid van de Svb omtrent kennelijk onredelijke resultaten is vooral gericht op incidentele betalingen zoals eindejaarsuitkeringen, terwijl een afkoopsom een ander karakter heeft.

De Pensioenwet bepaalt dat ouderdomspensioen kan worden afgekocht vóór de pensioengerechtigde leeftijd, maar parlementaire stukken tonen aan dat verrekening van afkoopsommen met toeslagen onwenselijk is. De Raad stelt dat de afkoopsom bedoeld is voor de periode ná de pensioengerechtigde leeftijd, en toerekening aan een maand vóór die leeftijd leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat.

De Raad draagt de Svb op binnen zes weken een nieuwe beslissing te nemen die hiermee rekening houdt, omdat de Raad zelf niet bevoegd is om in de zaak te voorzien.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep draagt de Sociale verzekeringsbank op om het besluit op bezwaar te herzien en rekening te houden met het kennelijk onredelijke resultaat van de verrekening van de afkoopsom.

Uitspraak

13/6487 AOW-T
Datum uitspraak: 19 december 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 29 oktober 2013, 13/438 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. T. Voortman hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2014. Namens appellant is mr. Voortman verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. A. van der Weerd en mr. drs. A. Slovacek.

OVERWEGINGEN

1. Appellant ontvangt sinds februari 2008 een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW), aangevuld met een partnertoeslag. In augustus 2010 heeft zijn partner een afkoopsom ontvangen van de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de detailhandel, ter hoogte van € 659,10 bruto. Met een besluit van 17 september 2012 heeft de Svb appellant laten weten dat in verband met deze afkoopsom de toeslag wordt herzien over augustus 2010. Met een besluit van dezelfde datum is van appellant de te veel betaalde toeslag teruggevorderd. Na bezwaar zijn deze besluiten gehandhaafd bij besluit op bezwaar van
2 april 2013 (bestreden besluit).
2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
3. De Raad overweegt als volgt.
3.1.
Terecht heeft de rechtbank de Svb gevolgd in het standpunt dat de afkoopsom aangemerkt moet worden als overig inkomen als bedoeld in de AOW en het Algemeen inkomensbesluit sociale zekerheidswetten (Inkomensbesluit) en dat deze inkomsten in beginsel verrekend dienen te worden met de partnertoeslag. Partijen verschillen erover van mening of dit leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat als bedoeld in artikel 4:1, negende lid, van het Inkomensbesluit.
3.2.
Allereerst dient derhalve beoordeeld te worden of in dit geval sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat, gelet op alle relevante feiten en omstandigheden. De Svb heeft in de Beleidsregels omschreven wanneer sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat. Dit beleid ziet met name op incidentele betalingen als eindejaarsuitkeringen en winstdelingsuitkeringen. Een afkoopsom is weliswaar ook een incidentele betaling, maar wel een met een geheel ander karakter dan de in het beleid van de Svb bedoelde uitkeringen. De vraag of bij het toerekenen van de afkoopsom aan de maand van uitbetaling er sprake is van een kennelijk onredelijk resultaat, is dan ook niet afhankelijk van de vraag of voldaan is aan de voorwaarden van het beleid van de Svb. Ook op andere gronden kan de conclusie zijn dat van een kennelijk onredelijk resultaat gesproken moet worden.
3.3.
Op 1 januari 2007 is de Pensioenwet in werking getreden. In deze wet is onder andere geregeld dat, onder bepaalde voorwaarden, het ouderdomspensioen kan worden afgekocht vóór de pensioengerechtigde leeftijd van de pensioenontvanger. Nadat de pensioenfondsen aan deze wet uitvoering hadden gegeven door kleine ouderdomspensioenen af te kopen, bleken er onbedoelde effecten te ontstaan, waaronder het effect dat de Svb de afkoopsom verrekent met de partnertoeslag in de AOW. Uit recente parlementaire stukken (o.a. Tweede Kamer 2013-2014, Aanhangsel 2092; Tweede Kamer 2013-2014, 32043, nr. 220; Tweede Kamer 2014-2015, 33988, nr. 29; Eerste Kamer 2014-2015, 33988, A) blijkt dat het kabinet en het parlement deze verrekening onwenselijk vinden en voornemens zijn te bepalen dat, indien betrokkene dat wenst, de afkoopsom pas uitgekeerd wordt na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd ingevolge de AOW. Indien dit zo geregeld wordt, dan volgt er geen verrekening met de partnertoeslag, omdat geen recht meer bestaat op een toeslag na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van de partner. De Raad vindt in deze parlementaire stukken en voorgenomen regelgeving steun voor het hierna volgende.
3.4.
Zoals de Raad al in een aantal uitspraken (ECLI:NL:CRVB:2003:AF8845, ECLI:NL:CRVB:2011:BP2458; ECLI:NL:CRvB:2012:BX3329) in het kader van achtereenvolgende bijstandswetten heeft geoordeeld, moet de afkoopsom van een ouderdomspensioen in de zin van de Pensioenwet geacht worden bestemd te zijn voor de periode na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Een pensioen is immers bedoeld als aanvulling op het AOW-pensioen. Niet valt in te zien dat de afkoop van het pensioen een ander doel zou hebben met betrekking tot de AOW. Zowel een WWB-uitkering als een AOW-pensioen met partnertoeslag voorzien in een inkomen op minimumniveau. Hoewel het begrip inkomen in verband met arbeid, dan wel overig inkomen, niet helemaal dezelfde betekenis en gevolgen heeft in de WWB als in de AOW, betekent dit niet dat de gevolgen van de afkoop van het ouderdomspensioen om die reden anders zouden moeten zijn. Het is in dit verband evenmin van belang of betrokkenen hebben ingestemd met de afkoop van het ouderdomspensioen, nu dat niet afdoet aan de bestemming van de afkoopsom. Nu de afkoopsom van het ouderdomspensioen geacht moet worden bestemd te zijn voor de periode na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van de partner, moet geconcludeerd worden dat het toerekenen van de afkoopsom aan een maand gelegen voor deze pensioengerechtigde leeftijd leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat als bedoeld in artikel 4:1 van Pro het Inkomensbesluit.
3.5.
Gelet op 3.1 tot en met 3.4 moet de conclusie zijn dat de Svb ten onrechte de toerekening van de afkoopsom van het ouderdomspensioen aan de maand van uitbetaling niet heeft beoordeeld als leidend tot een kennelijk onredelijk resultaat.
3.6.
Bezien moet worden welk vervolg hieraan wordt gegeven. In dit geval kan de Raad niet zelf in de zaak voorzien, aangezien conform artikel 4:1 van Pro het Inkomensbesluit het de bevoegdheid is van de Svb om te besluiten op welke andere wijze het inkomen van appellant wordt bepaald. De Raad ziet daarom aanleiding met toepassing van artikel 8:108 in Pro samenhang met 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht, de Svb op te dragen een nieuwe beslissing op het bezwaar tegen de besluiten van 17 september 2012 te nemen met inachtneming van wat de Raad in deze tussenuitspraak heeft overwogen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt de Svb op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 2 april 2013 te herstellen met inachtneming van wat de Raad in deze tussenuitspraak heeft overwogen.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 december 2014.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) B. Rikhof
sg