Uitspraak
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Maduro. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.W. de Jong.
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante had een aanvraag om bijstand ingediend op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees deze aanvraag af omdat appellante niet de gevraagde gegevens over vermeend bezit van onroerend goed in Kaapverdië verstrekte en niet aannemelijk maakte dat zij deze gegevens niet kon verkrijgen.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond, omdat de door appellante overgelegde bewijzen, zoals handgeschreven brieven en een uittreksel uit het kadaster, onvoldoende waren om aan te tonen dat zij niet beschikte over het onroerend goed of dat zij alles had gedaan om de gevraagde gegevens te verkrijgen.
In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep voerde appellante aan dat het kadastraal uittreksel aantoonde dat zij geen onroerend goed in Kaapverdië bezat en dat de brieven als aanvullend bewijs konden dienen. De Raad oordeelde echter dat het uittreksel was afgegeven buiten de relevante periode en geen informatie over het verleden bevatte, waardoor het bewijs onvoldoende was.
De Raad bevestigde dat appellante niet aan haar inlichtingenverplichting had voldaan zoals vereist in artikel 17, eerste lid, van de WWB, waardoor het college het recht op bijstand niet kon vaststellen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand is terecht afgewezen wegens niet-nakoming van de inlichtingenverplichting over onroerend goed in Kaapverdië.