ECLI:NL:CRVB:2014:3999
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- O.L.H.W.I. Korte
- J.F. Bandringa
- E.C.R. Schut
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens bezit woning in het buitenland ondanks scheiding van tafel en bed
Appellante ontving bijstand sinds oktober 2001 en werd onderzocht nadat een anonieme tip meldde dat zij een woning in Turkije bezat. De sociale recherche stelde vast dat zij sinds 1997 eigenaar was van een woning in Turkije, wat zij niet had gemeld aan het college. Het college trok de bijstand over de periode 2001-2006 in en vorderde terugbetaling.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante in hoger beroep stelde dat de woning sinds de scheiding van tafel en bed in 2001 eigendom was van haar echtgenoot op grond van een voorwaarde in de huwelijksovereenkomst. Zij voerde ook aan dat de woningwaarde lager was dan het vrij te laten vermogen en dat de rechtbank ten onrechte het beroep op dringende redenen afwees.
De Raad oordeelde dat de woning tot 2012 op naam van appellante stond en dat zij niet aannemelijk had gemaakt dat de eigendom was overgegaan op haar echtgenoot. De verklaring van de echtgenoot en het onderzoek spraken dit tegen. De taxatie van €68.000 werd als betrouwbaar beschouwd, en appellante had onvoldoende bewijs geleverd dat de waarde lager was. Ook waren geen dringende redenen voor terugvordering aanwezig.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens het bezit van een woning in Turkije.