Uitspraak
7 juni 2013, 12/4158 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant en zijn echtgenote A waren gehuwd en ontvingen bijstand naar de norm voor gehuwden. In september 2011 meldden zij aan het college dat zij duurzaam gescheiden leefden, waarna appellant bijstand als alleenstaande ontving. Na een onderzoek naar aanleiding van een signaal stelde het college vast dat appellant en A niet duurzaam gescheiden leefden. Appellant huurde weliswaar een kamer elders, maar was dagelijks meerdere keren aanwezig in de woning van A. Buurtbewoners bevestigden dat zij als gezin samenleefden en appellant betrokken was bij het huishouden en de kinderen.
Het college trok de bijstand van appellant over de periode van 5 september 2011 tot 21 maart 2012 in en vorderde ten onrechte ontvangen bijstand terug. Appellant had de verplichting om te melden dat hij niet duurzaam gescheiden leefde, maar schond deze inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat de feitelijke omstandigheden niet wezen op een duurzame scheiding, aangezien appellant en A geen eigen levens leidden als ware zij ongehuwd en de echtscheidingsprocedure was stopgezet. De terugvordering en intrekking van de bijstand waren daarom terecht. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.