Uitspraak
7 juni 2013, 12/4089 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante en haar echtgenoot ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. In september 2011 meldde appellante dat zij duurzaam gescheiden leefde, waarna zij bijstand kreeg als alleenstaande ouder. Na onderzoek stelde het college vast dat zij niet duurzaam gescheiden leefden, trok de bijstand over die periode in en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de terugvordering niet-ontvankelijk en wees het beroep verder af. In hoger beroep stelde appellante dat zij wel recht had op bijstand volgens de gehuwdennorm en dat de terugvordering onevenredig was. De Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het beroep tegen de terugvordering niet-ontvankelijk had verklaard en dat het college het evenredigheidsbeginsel had geschonden door geen rekening te houden met het recht op bijstand volgens de gehuwdennorm.
De Raad vernietigde het besluit voor zover het de terugvordering betrof, verklaarde het beroep gegrond en droeg het college op een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het college veroordeeld in de kosten van appellante. De uitspraak bevestigt dat de terugvordering niet tot onevenredige gevolgen mag leiden en benadrukt de juiste toepassing van het begrip duurzaam gescheiden leven.
Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering van bijstand wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd voor zover het de terugvordering betreft.