ECLI:NL:CRVB:2014:3909

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 november 2014
Publicatiedatum
26 november 2014
Zaaknummer
12-2897 WMO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:57 AwbArt. 8:72 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling omvang huishoudelijke hulp over periode april 2011 tot januari 2012

In deze bestuursrechtelijke zaak stond de omvang van de toegekende huishoudelijke hulp aan appellante over de periode van 1 april 2011 tot en met 4 januari 2012 centraal. De Raad had eerder geoordeeld dat het college onvoldoende had gemotiveerd waarom van de inwonende zoon van appellante een bijdrage in het huishouden mocht worden verwacht. Het college kreeg de opdracht medisch advies in te winnen.

Naar aanleiding van het medisch advies van juni 2014 stelde het college dat van de zoon geen bijdrage kon worden verlangd. Appellante stemde in met dit gewijzigde standpunt en verzocht om een einduitspraak. De Raad constateerde dat het college dit gewijzigde standpunt niet in een nieuw besluit had vastgelegd, terwijl dit wel noodzakelijk was.

De Raad vernietigde daarom de eerdere uitspraak en het bestreden besluit voor zover het de omvang van de huishoudelijke hulp betrof. Vervolgens bepaalde de Raad zelf dat appellante recht heeft op 8,5 uur hulp per week over de genoemde periode. Daarnaast werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.

Uitkomst: De Raad vernietigt het besluit en kent appellante 8,5 uur huishoudelijke hulp per week toe over de periode 1 april 2011 tot en met 4 januari 2012.

Uitspraak

12/2897 WMO
Datum uitspraak: 26 november 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van
12 april 2012, 11/2435 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Dongeradeel (college)
PROCESVERLOOP
De Raad heeft op 9 april 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1399) een tussenuitspraak gedaan.
Het college heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak een brief van 8 juli 2014 ingezonden.
Appellante heeft haar zienswijze gegeven op het standpunt van het college in de brief van
8 juli 2014.
De zaak is verwezen naar een enkelvoudige kamer van de Raad.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang met artikel 21, eerste lid, van de Beroepswet, is afgezien van een nader onderzoek ter zitting, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uiteenzetting van de feiten wordt verwezen naar de hiervoor vermelde tussenuitspraak. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.
2. In de tussenuitspraak heeft de Raad geoordeeld dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd voor wat betreft het standpunt van het college dat van de inwonende zoon van appellante, op grond van gebruikelijke zorg, mocht worden verwacht dat hij in de periode van 1 april 2011 tot en met 4 januari 2012 1,5 uur per week lichte huishoudelijke werkzaamheden zou verrichten. In de tussenuitspraak is het college opdracht gegeven nader medisch advies in te winnen en op grond daarvan te bezien of en in hoeverre van de zoon van appellante in de bovengenoemde periode een bijdrage in het huishouden mocht worden verlangd.
3.1.
Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college een brief van 8 juli 2014 ingezonden. Het college heeft zich in deze brief, onder verwijzing naar een aan hem uitgebracht medisch advies van 23 juni 2014, op het standpunt gesteld dat van de zoon van appellante in de periode van 1 april 2011 tot en met 4 januari 2012 geen bijdrage in het huishouden kon worden verlangd.
3.2.
In reactie op de brief van het college van 8 juli 2014 is namens appellante te kennen gegeven dat zij zich kan vinden in het gewijzigde standpunt van het college. Verzocht wordt om een einduitspraak.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het college heeft zijn gewijzigde standpunt, zoals weergegeven in 3.1, niet neergelegd in een nieuw besluit. Dit was wel aangewezen omdat het gewijzigde standpunt impliceert dat de omvang van de toegekende huishoudelijke hulp over de periode van 1 april 2011 tot en met
4 januari 2012 nader moet worden vastgesteld op 8,5 uren per week.
4.2.
De overwegingen 4.3 en 4.4 van de tussenuitspraak en wat hiervoor onder 4.1 is overwogen leiden tot het volgende oordeel.
4.2.1.
De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.
4.2.2.
Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit, voor zover het betreft de omvang van de hulp bij het huishouden over de periode van 1 april 2011 tot en met 4 januari 2012, vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
4.2.3.
De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. De Raad zal bepalen dat appellante over de periode van 1 april 2011 tot en met 4 januari 2012 in aanmerking komt voor 8,5 uur hulp bij het huishouden per week.
5. Er bestaat aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 10,12 aan reiskosten in beroep en op € 1.217,50 voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.227,62.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 23 augustus 2011 voor zover het betreft de omvang van de hulp bij het huishouden over de periode van 1 april 2011 tot en met 4 januari 2012;
  • bepaalt dat aan appellante hulp bij het huishouden wordt toegekend naar een omvang van 8,5 uur per week over de periode van 1 april 2011 tot en met 4 januari 2012 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van
23 augustus 2011;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.227,62;
  • bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 156,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2014.
(getekend) R.M. van Male
(getekend) R.L. Rijnen

MK