ECLI:NL:CRVB:2014:3859
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en vermogen
Appellanten ontvingen sinds 1996 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na een melding over werkzaamheden van appellant als stratenmaker en tuinier en het bezit van meerdere voertuigen en sieraden, stelde de gemeente Haarlemmermeer een onderzoek in. Dit leidde tot het intrekken van de bijstand per 7 februari 2012 en later met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2006, met terugvordering van €106.063,27.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond omdat zij hun inlichtingenverplichting hadden geschonden door het niet melden van hun werkzaamheden en het bezit van vermogen dat de vermogensgrens overschreed. Appellant hield geen administratie bij van zijn werkzaamheden en kon zijn inkomsten niet aantonen. De stelling dat het vermogen lager was dan vastgesteld, werd niet onderbouwd.
In hoger beroep herhaalden appellanten hun standpunten, maar de Raad sloot zich aan bij de rechtbank. De Raad oordeelde dat het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten relevant is voor het recht op bijstand, ongeacht of daaruit daadwerkelijk inkomsten zijn genoten. Omdat appellanten niet aannemelijk maakten dat zij recht hadden op bijstand indien zij wel aan de inlichtingenverplichting hadden voldaan, werd het hoger beroep verworpen. De terugvordering werd eveneens bevestigd, ondanks de financiële situatie van appellanten.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarmee de intrekking en terugvordering van de bijstand en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting en het bezit van vermogen worden bevestigd.