Appellant was sinds april 2010 rechterlijk ambtenaar in opleiding (raio) en werd in oktober 2011 berispt wegens het inleveren van conceptuitspraken die niet door hem waren geschreven. In april 2012 werd hij verhoord vanwege vermoedelijk misbruik van het alarmnummer 112. Ambtsberichten leidden tot het besluit om zijn opleiding te beëindigen en zijn aanstelling te beëindigen.
De Raad oordeelde dat het ambtsbericht zelf geen besluit is en dat het besluit tot beëindiging van de opleiding niet rechtsgeldig was genomen omdat de functionele autoriteit niet was gehoord, wat niet kon worden hersteld. De rector was niet gehoord, maar dit werd niet als benadeling gezien.
Inhoudelijk concludeerde de Raad dat appellant niet zodanig ongeschikt was dat een verbeterkans achterwege mocht blijven, mede omdat zijn functioneren tot dan toe voldoende was beoordeeld. Het frequent melden via 112 was deels ongegrond, maar ook deels op feitelijke gronden gebaseerd. Het noemen van zijn functie bij meldingen werd als ongeschikt beoordeeld.
De Raad vernietigde de besluiten tot beëindiging van opleiding en aanstelling, en bepaalde dat appellant zijn opleiding bij het Openbaar Ministerie zal voortzetten, met een ander parket dan oorspronkelijk bedoeld. Tevens werd verweerder veroordeeld in de kosten van appellant.