ECLI:NL:CRVB:2014:3782

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 november 2014
Publicatiedatum
18 november 2014
Zaaknummer
12-4143 WIA-W
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:29 AwbArt. 8:32 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen behandelend rechters in hoger beroep WIA-zaken

Verzoeker heeft in hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Utrecht een wrakingsverzoek ingediend tegen de behandelend rechters, stellende dat deze hem ter zitting wilden overvallen met beslissingen over medische stukken en de zitting achter gesloten deuren.

De Raad heeft overwogen dat wraking alleen kan worden toegewezen bij feiten of omstandigheden die wijzen op rechterlijke vooringenomenheid. Procedurele beslissingen, zoals het niet tijdig beslissen op verzoeken of het annuleren van een zitting, vormen op zichzelf geen grond voor wraking.

De Raad constateerde dat de verzoeken van verzoeker nog niet waren beslist, maar dat dit geen aanwijzing is voor vooringenomenheid. Ook het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat de wrakingsregeling dit niet toestaat.

Het tweede wrakingsverzoek van verzoeker tegen de wrakingskamer werd reeds buiten behandeling gelaten. De Raad besloot het wrakingsverzoek af te wijzen en legde geen proceskostenveroordeling op.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de behandelend rechters wordt afgewezen wegens gebrek aan aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

12/4143 WIA-W
Datum uitspraak: 17 november 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van
10 juli 2012, 11/3994, in het geding tussen verzoeker en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
Op 27 augustus 2014 heeft de Raad verzoeker medegedeeld dat het onderzoek ter zitting in hoger beroep zal plaatsvinden op 9 oktober 2014. De behandelend rechters zijn
B.M. van Dun, J.J.T. van den Corput en W. van den Brink (de behandelend rechters).
Bij brief van 5 september 2014 heeft verzoeker verzocht om wraking van de behandelend rechters.
De behandelend rechters hebben schriftelijk medegedeeld niet te berusten in het wrakingsverzoek.
Op 9 oktober 2014 heeft de Raad verzoeker medegedeeld dat het wrakingsverzoek op
10 november 2014 ter zitting zal worden behandeld door A. Beuker-Tilstra, J.F. Bandringa en B.J. van de Griend (de rechters van de wrakingskamer).
Bij brief van 13 oktober 2014 heeft verzoeker verzocht om wraking van de rechters van de wrakingskamer (het tweede wrakingsverzoek).
Bij uitspraak van 30 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3546, heeft de Raad bepaald dat het tweede wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen en dat een volgend verzoek om wraking van verzoeker in dit hoger beroep niet in behandeling wordt genomen.
De behandeling van het wrakingsverzoek heeft plaatsgevonden op 10 november 2014. Verzoeker is niet verschenen. De behandelend rechters zijn, zoals aangekondigd, eveneens niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. Artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van Pro de Awb is de ratio van het instituut van wraking gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid.
2. Verzoeker heeft, in essentie en samengevat, aan het verzoek om wraking ten grondslag gelegd dat zonder zwaarwegende grond is nagelaten tijdig een processuele tussenbeslissing te nemen op zijn verzoeken om beperking van de kennisneming van medische stukken en om de behandeling van zijn hoger beroep ter zitting te laten plaatsvinden met gesloten deuren. Hieruit blijkt volgens verzoeker dat de behandelend rechters hem ter zitting willen overvallen met deze beslissingen. Ook is volgens verzoeker nagelaten hem tijdig te informeren over de reden van het niet doorgaan van de eerder geplande behandeling van zijn hoger beroep ter zitting van 25 juni 2014.
3.1.
Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechter die de zaak behandelt. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient voorts het uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141).
3.2.
De wijze waarop gebruik wordt gemaakt van het vooronderzoek als bedoeld in
afdeling 8.2.2. van de Awb betreft een procedurele kwestie. Naar vaste rechtspraak
(CRvB 17 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP8906) is wraking niet bedoeld als rechtsmiddel tegen procedurele beslissingen en kunnen deze beslissingen slechts leiden tot toewijzing van een wrakingsverzoek als uit de procedurele beslissing blijkt van vooringenomenheid van de rechters die deze beslissing hebben genomen.
3.3.
Verzoeker heeft in zijn hogerberoepschrift van 23 juli 2012 verzocht om toepassing van het bepaalde in de artikelen 8:29 en 8:32 van de Awb op de door hem ingezonden stukken met medische informatie. Bij brief van 22 augustus 2012 is door de griffier aan verzoeker verzocht aan te geven of hij er bezwaar tegen heeft dat de door hem ingezonden stukken worden doorgezonden aan het Uwv. Bij brief van 27 augustus 2012 heeft verzoeker vervolgens medegedeeld zijn verzoek te handhaven.
3.4.
Vastgesteld wordt dat de Raad tot op heden heeft nagelaten kenbaar te beslissen op de in 3.3 vermelde verzoeken. Dat zal in het vervolg van de procedure alsnog moeten gebeuren. Dat betekent echter niet dat er sprake is van een zwaarwegende aanwijzing dat de behandelend rechters vooringenomen zijn ten opzichte van verzoeker.
3.5.
De genomen beslissing op het verzoek om behandeling achter gesloten deuren en het niet kenbaar maken van de redenen voor het annuleren van de geplande behandeling van zijn hoger beroep ter zitting van 25 juni 2014 zijn procedurele aangelegenheden. Een en ander vormt bovendien geen enkele aanwijzing van vooringenomenheid van de behandelend rechters ten opzichte van verzoeker. Voor toewijzing van het wrakingsverzoek bestaat dan ook geen aanleiding.
3.6.
Verzoeker heeft verzocht om toekenning van schadevergoeding. De op een wrakingsverzoek van toepassing zijnde regelgeving biedt daarvoor geen mogelijkheid.
3.7.
Voor zover verzoeker heeft bedoeld ook de rechters te wraken die het tweede wrakingsverzoek behandelden (mrs. Heijs, Brand en Hillen), wordt dit verzoek buiten behandeling gelaten, zoals is bepaald in de uitspraak van 30 oktober 2014.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking van de behandelend rechters af.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en J.F. Bandringa en
B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2014.
(getekend) A. Beuker-Tilstra
(getekend) S.W. Munneke

HD