ECLI:NL:CRVB:2014:3775

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 november 2014
Publicatiedatum
18 november 2014
Zaaknummer
12-3558 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens voldoende medische en arbeidskundige grondslag

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om hem geen WIA-uitkering toe te kennen met ingang van 17 november 2010. Het UWV baseerde het besluit op medische en arbeidskundige onderzoeken die concludeerden dat appellant geschikt is voor bepaalde geselecteerde functies.

De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het besluit van het UWV voldoende was gemotiveerd en gebaseerd op degelijke medische en arbeidskundige rapporten. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen, met name aan linkerknie en linkerhand, onvoldoende waren meegewogen.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het UWV zorgvuldig te werk is gegaan. De verzekeringsartsen en arbeidsdeskundige hebben appellant onderzocht en beschikten over informatie van behandelend artsen. De beperkingen aan de linkerknie en linkerhand zijn expliciet beoordeeld en de beperkingen op psychisch gebied zijn zelfs aangescherpt. De Raad achtte het oordeel van het UWV dat appellant geschikt is voor de geselecteerde functies voldoende gemotiveerd.

De eigen niet-medisch onderbouwde opvattingen van appellant wogen niet zwaar. Ook een brief van de orthopedisch chirurg toonde geen ernstige afwijkingen aan de linkerknie aan. De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

12/3558 WIA
Datum uitspraak: 14 november 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 4 mei 2012,
11/3484 en 11/3485 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.J. de Vries-Mulder, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 augustus 2014. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. F.A. Put.

OVERWEGINGEN

1. Ter zitting van de Raad heeft appellant verzocht om aanhouding van de behandeling teneinde zich te kunnen voorzien van rechtsbijstand. De Raad zal dit verzoek niet honoreren, aangezien appellant daartoe voldoende gelegenheid heeft gehad, en er ook overigens, gelet op het voorliggende dossier, geen reden is voor aanhouding.
2. De Raad zal dan ook overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.
3.1.
Bij besluit van 19 januari 2011 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van
17 november 2010 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen.
3.2.
Bij besluit van 15 september 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 19 januari 2011 ongegrond verklaard.
4. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe - kort weergegeven - overwogen dat het besluit op een voldoende medische en arbeidskundige grondslag berust. Er is informatie ingewonnen bij de behandelend sector en het Uwv heeft volgens de rechtbank voldoende toegelicht waarom appellant in staat is de geselecteerde functies te vervullen.
5. In hoger beroep heeft appellant wederom aangevoerd dat hij niet in staat is de geselecteerde functies te vervullen. Er is onvoldoende rekening gehouden met zijn beperkingen, met name die betrekking hebben op zijn linkerknie en linkerhand.
6.1.
De Raad oordeelt als volgt.
6.2.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medische en arbeidskundige onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest. Uit de rapporten van de verzekeringsarts van
18 november 2010 en van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 juli 2011 blijkt dat beide artsen appellant hebben onderzocht en beschikten over informatie van de behandelende artsen. Nadrukkelijk is daarbij de problematiek van de linkerhand en de linkerknie van appellant aan de orde geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de door de verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst nog aangescherpt en meer beperkingen op psychisch gebied aangenomen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft blijkens zijn rapport van 7 februari 2012 nog overleg gehad met de verzekeringsarts bezwaar en beroep, specifiek over de geschiktheid van appellant voor de geselecteerde functies. De Raad acht dan ook afdoende gemotiveerd dat appellant voor de geselecteerde functies geschikt is te achten.
6.3.
De beschikbare gegevens bevatten voldoende informatie over de gezondheidstoestand van appellant op de in geding zijnde datum om tot dit oordeel te komen. Aan de eigen, niet met medische gegevens onderbouwde, opvatting van appellant met betrekking tot zijn gezondheidstoestand komt niet dat gewicht toe dat appellant daaraan gehecht wil zien. De Raad markeert nog dat uit de brief van de behandelend orthopedisch chirurg R.D.A. Gaasbeek van 28 juli 2009 ook niet blijkt van ernstige afwijkingen aan de linkerknie, nu hij spreekt over een “volledige actieve en passieve functie van de knie” en “op de röntgenfoto geen afwijkingen”.
7. Gelet op hetgeen onder 6.2 en 6.3 is overwogen komt de Raad tot het oordeel dat het hoger beroep niet kan slagen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en
E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2014.
(getekend) M.M. van der Kade
(getekend) S. Aaliouli

NK