ECLI:NL:CRVB:2014:3764

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 november 2014
Publicatiedatum
18 november 2014
Zaaknummer
13-5304 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking bijstandsuitkering wegens niet-naleving oproepen ondanks detentie

Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en werd uitgenodigd voor een gesprek en het overleggen van bewijsstukken. Hij verscheen niet en reageerde niet op de uitnodigingen. Het college schortte de bijstand op en trok deze later in op grond van artikel 54 WWB Pro.

Appellant voerde hoger beroep aan met het verweer dat hij gegijzeld was en in vervangende hechtenis zat, waardoor hij niet kon reageren. De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet voor zijn post kon zorgen, temeer daar zijn dochter in zijn woning verbleef tijdens zijn detentie.

De Raad stelde vast dat appellant redelijkerwijs tijdig op de hoogte had kunnen zijn van de oproepen en dat hij het college niet tijdig heeft geïnformeerd over zijn vrijheidsontneming, wat een wettelijke verplichting is. Daarom kon het college de bijstand terecht intrekken.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd omdat appellant niet tijdig op oproepen heeft gereageerd ondanks zijn detentie.

Uitspraak

13/5304 WWB
Datum uitspraak: 11 november 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
20 augustus 2013, 13/731 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.C. Cornelisse, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2014. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. S.J.M. van Zuidam.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving vanaf 16 mei 2012 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).
1.2.
In het kader van een periodiek onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand heeft een medewerker van de afdeling Handhaving van de gemeente Apeldoorn appellant bij brief van 7 augustus 2012 uitgenodigd voor een gesprek op 13 augustus 2012 en hem verzocht om enkele bewijsstukken over te leggen. Appellant heeft geen gehoor gegeven aan deze uitnodiging. Vervolgens heeft het college bij besluit van 13 augustus 2012 het recht op bijstand met toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB met ingang van diezelfde datum opgeschort. Bij dat besluit heeft het college appellant tevens uitgenodigd voor een nieuwe afspraak op 17 augustus 2012 en hem meegedeeld dat zijn uitkering wordt ingetrokken als hij ook deze afspraak niet nakomt. Ook aan deze uitnodiging heeft appellant geen gehoor gegeven.
1.3.
Bij besluit van 23 augustus 2012 heeft het college met toepassing van artikel 54,
vierde lid, van de WWB de bijstand van appellant met ingang van 13 augustus 2012 ingetrokken.
1.4.
Bij besluit van 30 november 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 augustus 2012 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich tegen deze uitspraak gekeerd en aangevoerd dat sprake was van overmacht. Appellant is op 8 augustus 2012 door de politie gegijzeld, waarvan hij niet van te voren op de hoogte was. Hij heeft aansluitend tot 26 augustus 2012 een vervangende hechtenis uitgezeten. Het was volgens appellant dan ook niet mogelijk tijdig kennis te nemen van de oproepen van het college en hij kon dan ook geen uitstel vragen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellant heeft tegen de opschorting van het recht op bijstand geen rechtsmiddel aangewend, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand met
ingang van 13 augustus 2012 op grond van artikel 54, vierde lid, WWB in rechte stand kan houden.
4.2.
Bij de beantwoording van die vraag staat in de eerste plaats ter beoordeling of appellant verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde medewerking te verlenen. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of appellant hiervan een verwijt kan worden gemaakt.
4.3.
Het betoog van appellant dat hem geen verwijt kan worden gemaakt van het verzuim omdat hij was gegijzeld en in vervangende hechtenis zat en daarom niet heeft kunnen reageren op de uitnodigingen, faalt. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet heeft kunnen zorgen voor een toereikende voorziening voor zijn post. Dit klemt te meer nu vaststaat dat in de periode van detentie de dochter van appellant in zijn woning verbleef. Hij heeft dan ook redelijkerwijs tijdig op de hoogte kunnen raken van het opschortingsbesluit waarbij hij was uitgenodigd om op 17 augustus 2012 te verschijnen. Evenmin heeft appellant aannemelijk gemaakt dat het voor hem onmogelijk was, al dan niet via derden, op of korte tijd na 8 augustus 2012 bij het college te (laten) melden dat hij door omstandigheden buiten zijn wil niet in staat zou zijn om te reageren op correspondentie van het college. In dit verband is van betekenis dat appellant ter uitvoering van zijn wettelijke inlichtingenverplichting het college onmiddellijk van zijn vrijheidsontneming op de hoogte had moeten stellen, nu dit voor de bijstandsverlening onmiskenbaar van belang is. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat appellant verweten kan worden dat hij niet heeft gereageerd op de door het college verzonden oproepen.
4.4.
Het college was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de van de WWB, de bijstand van appellant met ingang van 13 augustus 2012 in te trekken. In wat appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik kon maken.
4.5.
Uit 4.2. tot en met 4.4. volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en F. Hoogendijk en
G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2014.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) S.W. Munneke

HD