ECLI:NL:CRVB:2014:3760
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 21 maart 2012 waarin werd vastgesteld dat hij geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Dit bezwaar werd bij besluit van 30 juli 2012 ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit eveneens ongegrond.
In hoger beroep voert appellant aan dat het UWV onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn psychische en lichamelijke beperkingen, met name dat er geen uitgebreid psychodiagnostisch onderzoek is verricht en dat er sprake zou zijn van een ernstige depressie. Het UWV baseert zich op een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, waarin een gedegen medisch onderzoek is beschreven, inclusief een psychiatrische expertise. Deze deskundigen concluderen dat er hoogstens sprake is van een matig ernstige depressie en niet-ernstige angststoornis.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in overleg met de verzekeringsarts nieuwe functies geselecteerd die passen bij de vastgestelde beperkingen van appellant. De Raad oordeelt dat de medische en arbeidskundige gronden door de rechtbank terecht zijn beoordeeld en dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er is geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wordt bevestigd.