ECLI:NL:CRVB:2014:3694
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening studiefinanciering op grond van woonadres en wettelijk vermoeden Wsf 2000
De zaak betreft een hoger beroep van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap tegen een uitspraak van de rechtbank Overijssel over de herziening van studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Betrokkene werd vanaf 1 januari 2012 als thuiswonend aangemerkt, waardoor haar studiefinanciering werd herzien en teruggevorderd. De rechtbank oordeelde dat betrokkene vanaf november 2012 niet op haar GBA-adres woonde en verklaarde het beroep gegrond omdat de herziening over de periode januari tot oktober 2012 volgens de rechtbank punitief was en in strijd met het evenredigheidsbeginsel.
De Centrale Raad van Beroep stelt dat het wettelijk vermoeden van artikel 9.9, tweede lid, Wsf 2000 inhoudt dat de herziening plaatsvindt vanaf de datum van de laatste adreswijziging in de GBA, tenzij betrokkene onomstotelijk bewijs levert dat zij in die periode wel op het GBA-adres woonde. Betrokkene heeft geen objectieve, verifieerbare gegevens overgelegd om dit wettelijk vermoeden te weerleggen. De Raad vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de Minister ongegrond.
De Raad benadrukt dat de bewijslast bij betrokkene ligt en dat de Minister bevoegd is om de studiefinanciering te herzien vanaf de datum van de laatste adreswijziging. De Raad wijst ook op de mogelijkheid van toepassing van de hardheidsclausule in bijzondere gevallen, maar acht die hier niet van toepassing. De uitspraak is gedaan door J. Brand, in aanwezigheid van griffier K. de Jong, op 5 november 2014.
Uitkomst: Het beroep van de Minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.