ECLI:NL:CRVB:2014:3643
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schorsing, intrekking en terugvordering WAO-uitkering wegens niet gemelde werkzaamheden en inkomsten
Appellant ontving sinds 1996 een WAO-uitkering die in 1998 werd vastgesteld op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Het UWV schortte in 2010 de uitkering op en stelde vast dat appellant inkomsten had uit arbeid die niet waren gemeld, wat leidde tot terugvordering van onverschuldigde betalingen over meerdere perioden.
De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht kon vertrouwen op onderzoeksgegevens van de Belastingdienst, FIOD en ECD, die aantonen dat appellant werkzaamheden verrichtte en inkomsten genoot binnen zijn eigen onderneming. Appellant voerde in hoger beroep slechts aan dat hij niet had gewerkt en geen inkomsten had genoten, zonder concrete tegenbewijsstukken.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat het UWV op goede gronden de uitkering mocht schorsen, intrekken en terugvorderen. De Raad vond dat de onderzoeksrapporten en proces-verbaal voldoende bewijs vormden en dat appellant onvoldoende had aangetoond dat deze gegevens onjuist waren.
Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De bestreden besluiten van het UWV blijven daarmee in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraken dat het UWV terecht de WAO-uitkering heeft geschorst, ingetrokken en teruggevorderd wegens niet gemelde werkzaamheden en inkomsten.