ECLI:NL:CRVB:2014:3617
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen toekenning bijzondere bijstand met terugwerkende kracht wegens tijdige aanvraagmogelijkheid
Appellante was werkzaam bij verschillende werkgevers en ontving aanvankelijk bijstand op grond van de WWB. Na beëindiging van haar dienstverbanden vroeg zij een WW-uitkering aan, maar de omvang daarvan was onduidelijk. Appellante verzocht om bijzondere bijstand met terugwerkende kracht over de periode van 1 september 2010 tot 1 mei 2011.
Het college wees dit verzoek af omdat appellante tijdig een aanvulling op haar inkomsten had kunnen aanvragen en er geen bijzondere omstandigheden waren die terugwerkende kracht rechtvaardigen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit van het college.
In hoger beroep stelde appellante dat er wel bijzondere omstandigheden waren, onder meer vanwege onduidelijkheid over haar WW-rechten. De Raad oordeelde echter dat appellante redelijkerwijs eerder bijstand had kunnen aanvragen en dat de onzekerheid over de WW-uitkering voor haar risico kwam. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af, waarmee het besluit van het college in stand bleef.
Uitkomst: De aanvraag om bijzondere bijstand met terugwerkende kracht wordt afgewezen en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.