ECLI:NL:CRVB:2014:3589
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen
Appellante ontving eerder een WAO-uitkering wegens bekkeninstabiliteit na bevalling, die in 2007 werd ingetrokken wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid. Na een val in 2011 meldde zij een verslechtering van haar gezondheid en vroeg zij opnieuw een WAO-uitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering omdat uit medisch onderzoek bleek dat haar beperkingen niet waren toegenomen ten opzichte van 2007 en dat de oorzaak van haar klachten anders was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de medische beoordeling zorgvuldig en inzichtelijk was en de door appellante overgelegde informatie geen aanwijzingen gaf voor een toename van beperkingen. In hoger beroep stelde appellante dat haar klachten aanzienlijk waren verergerd en dat deze voortkwamen uit dezelfde oorzaak als haar eerdere arbeidsongeschiktheid.
De Centrale Raad oordeelde dat volgens artikel 43a van de WAO eerst moet worden vastgesteld of er sprake is van toegenomen beperkingen alvorens te beoordelen of deze uit dezelfde oorzaak voortkomen. Het medisch onderzoek was voldoende zorgvuldig en de aanvullende medische verklaring van de reumatoloog bevatte geen objectieve aanwijzingen voor toegenomen beperkingen. Daarom was de weigering van de WAO-uitkering terecht en werd het hoger beroep verworpen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens het ontbreken van toegenomen beperkingen vanuit dezelfde ziekteoorzaak.