Uitspraak
13 december 2012, 12/3770 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante sloot in 2005 een arbeidsovereenkomst als directeur met een werkgever die in 2012 failliet werd verklaard. Na opzegging van haar arbeidsovereenkomst door de curator vroeg zij een faillissementsuitkering aan op grond van de Werkloosheidswet (WW). Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde deze uitkering omdat appellante geen werknemer was in de zin van de WW, vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante tegen deze weigering ongegrond, stellende dat zij als directeur met volledige volmacht zelfstandig beslissingen nam en er geen gezagsverhouding bestond. In hoger beroep voerde appellante aan dat er wel sprake was van gezag door de beherend vennoot, met wie zij overleg voerde en van wie zij toestemming vroeg voor het faillissement.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante niet had toegelicht hoe de beherend vennoot gezag over haar uitoefende. Gelet op het ontbreken van een gezagsverhouding kon appellante niet als werknemer in de zin van de WW worden aangemerkt. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Appellante wordt geen werknemer in de zin van de WW geacht en ontvangt geen faillissementsuitkering.