ECLI:NL:CRVB:2014:3564
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen gezamenlijke huishouding wegens ontbreken wederzijdse zorg in WWB-uitkeringszaak
Appellante ontving bijstand volgens de WWB als alleenstaande ouder en verbleef op het uitkeringsadres bij M. Het college trok haar bijstand in vanwege het vermoeden van een gezamenlijke huishouding, gebaseerd op een onderzoek en huisbezoeken.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. Appellante ging hiertegen in hoger beroep en voerde aan dat het huisbezoek onrechtmatig was en dat geen gezamenlijke huishouding bestond.
De Raad oordeelde dat hoewel appellante hoofdverblijf had bij M, er onvoldoende bewijs was voor wederzijdse zorg, een vereiste voor gezamenlijke huishouding. Appellante leverde nauwelijks zorg aan M, terwijl M wel zorg aan haar verleende. Hierdoor was het besluit tot intrekking onvoldoende gemotiveerd en berustte het niet op deugdelijk onderzoek.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en het intrekkingsbesluit en veroordeelde het college in de proceskosten. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellante vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van bijstand wordt vernietigd wegens het ontbreken van wederzijdse zorg.