Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2014:3528

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 oktober 2014
Publicatiedatum
30 oktober 2014
Zaaknummer
14 -1060 AW _
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:1 AwbArt. 1:3 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:69 AwbArt. 4 WPA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ontvankelijkheid bezwaar inzake pensioenopbouw en bestuursrechtelijke kwalificatie

Betrokkene vroeg het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas of hij pensioen had opgebouwd in de periode 1984-1988 toen hij als werkbegeleider werkzaam was. Het ABP gaf aan dat hij geen pensioen had opgebouwd. Betrokkene verzocht het college om alsnog pensioenopbouw bij het ABP of een ander fonds, waarop het college een afwijzende reactie gaf.

Het college verklaarde het bezwaar tegen deze afwijzing niet-ontvankelijk omdat de brief van het college geen bestuursrechtelijk besluit was en het verzoek privaatrechtelijk van aard. De rechtbank vernietigde dit besluit, oordeelde dat de kwestie privaatrechtelijk was en dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk was, maar dat het college zich ten onrechte op de grondslag van het besluit had gebaseerd.

De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de rechtbank de grondslag van het besluit onterecht had uitgebreid en vernietigde de uitspraak van de rechtbank. De Raad bevestigde dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk was omdat het verzoek geen aanvraag in de zin van de Awb inhield en de reactie van het college geen besluit met rechtsgevolgen was. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat het verzoek privaatrechtelijk is en geen bestuursrechtelijk besluit oplevert.

Uitspraak

14/1060 AW, 14/2120 AW
Datum uitspraak: 30 oktober 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 januari 2014, 13/8556 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas (college)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
PROCESVERLOOP
Het college heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. U. Santi, advocaat, een verweerschrift ingediend en daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2014. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Boere. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door
mr. Santi.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij brief van 22 oktober 2012 heeft betrokkene aan het college de vraag voorgelegd of hij pensioen opgebouwd heeft in de periode van 1984 tot 1988, toen hij werkzaam was als werkbegeleider in het kader van het Pilot Project Moordrecht. Daarbij heeft betrokkene gesteld dat hij in dienst was van de gemeente [gemeente] en ervan uit te gaan dat hij pensioen heeft opgebouwd als werknemer-ambtenaar en dat de opbouw van het pensioen is gecontinueerd nadat hij arbeidsongeschikt werd. Het Algemeen burgerlijk pensioenfonds (ABP) heeft betrokkene bij brief van 16 januari 2013 meegedeeld dat hij geen pensioen heeft opgebouwd bij het ABP.
1.2.
Bij brief van 9 april 2013 heeft betrokkene het college gevraagd om een reactie op zijn standpunt dat (de rechtsvoorganger van) het college hem had moeten aanmelden bij het ABP. Daarbij heeft hij gesteld dat hij aanspraak maakt op pensioen als ware voor hem pensioen opgebouwd bij het ABP en het college gevraagd of het bereid is om hierover met hem in overleg te treden, in die zin dat alsnog pensioen wordt opgebouwd bij het ABP dan wel bij een ander pensioenfonds.
1.3.
Bij brief van 17 juni 2013, voor zover hier van belang, heeft het college uiteengezet op grond waarvan betrokkene destijds niet is aangemeld bij het ABP en het verzoek om in overleg te treden in de door betrokkene bedoelde zin afgewezen.
1.4.
Betrokkene heeft tegen deze brief bezwaar gemaakt. Bij besluit van 23 september 2013 (bestreden besluit) heeft het college dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan ligt ten grondslag dat de brief van 17 juni 2013 geen publiekrechtelijk besluit is, gericht op enig rechtsgevolg waartegen bezwaar gemaakt zou kunnen worden, omdat geen sprake is van een aanvraag als bedoeld in artikel 4:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en daarop geen besluit kan worden genomen. Daarnaast heeft de brief van 17 juni 2013 volgens het college geen rechtsgevolgen, maar geeft deze louter de feitelijke situatie van destijds weer.
2.1.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat het college het griffierecht van € 160,- aan betrokkene vergoedt en het college veroordeeld in de proceskosten van appellant van € 988,16.
2.2.
Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het verzoek van betrokkene, indien dit zou moeten worden opgevat als een aanvraag om hem alsnog aan te melden bij de Stichting pensioenfonds ABP, betrekking heeft op zijn pensioenaanspraken als beweerdelijk overheidswerknemer in de zin van de Wet privatisering ABP (WPA) en zijn daarmee samenhangende verplichtingen. In artikel 4, eerste lid, van de WPA is bepaald dat die aanspraken en verplichtingen worden neergelegd in een overeenkomst naar burgerlijk recht. De door betrokkene aan de orde gestelde kwestie betreft, aldus bezien, de uitvoering van een op basis van artikel 4 van Pro de WPA gesloten pensioenovereenkomst, is dus privaatrechtelijk van aard en heeft dus niet geleid tot een besluit in de zin van de Awb. Voor zover betrokkene met zijn verzoek heeft beoogd het college te doen terugkomen van zijn eerdere beslissing om hem niet aan te melden bij het toenmalige ABP is de afwijzende beslissing daarop evenmin aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Een verzoek om herziening van een onder die wet genomen beslissing, dat is gedaan na 1 januari 1996, levert volgens vaste jurisprudentie niet een besluit op waarop de ABP-wet van toepassing blijft. Ook in dat geval betreft het verzoek dus een privaatrechtelijke aangelegenheid. Het bezwaar van betrokkene is niet-ontvankelijk en ter zake kan uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter worden ingesteld. Omdat het college het bezwaar weliswaar terecht niet-ontvankelijk heeft geacht, maar zich daarbij ten onrechte op de grondslag als weergegeven in het bestreden besluit heeft gebaseerd, heeft de rechtbank aanleiding gezien het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb onder de bepaling dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.
3. Partijen hebben de aangevallen uitspraak op de hierna te bespreken gronden bestreden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Hoger beroep
4.1.
Ambtshalve oordelend moet worden vastgesteld dat de rechtbank zich los van de grondslag van het bestreden besluit zelfstandig een oordeel heeft gevormd over de ontvankelijkheid van het bezwaar met als uitkomst dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard, en daarna - ongemotiveerd - de conclusie heeft getrokken dat de grondslag van het bestreden besluit onjuist is. Naar vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van
15 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:BY8664) verdraagt het zich niet met de in artikel 8:69, eerste lid, van de Awb neergelegde afbakening van de omvang van het geding dat de bestuursrechter in het kader van de toetsing van het in beroep bestreden besluit de grondslag van dat besluit uitbreidt. Mede gelet op het gegeven dat artikel 8:69, eerste lid, van de Awb van openbare orde is, geeft dit al aanleiding de aangevallen uitspraak te vernietigen. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit beoordelen.
4.2.
De onder 1.2 en 1.3 vermelde inhoud van de brief van betrokkene van 9 april 2013 en de reactie hierop van het college van 17 juni 2013 boden voldoende grond voor het standpunt van het college dat de brief van 9 april 2013 geen aanvraag inhield als bedoeld in artikel 4:1 van Pro de Awb, dat de reactie daarop daarom geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van Pro die wet, en dat die reactie ook geen rechtsgevolgen heeft. Het college heeft het bezwaar op die grond terecht niet-ontvankelijk verklaard, zodat het bestreden besluit in rechte stand houdt.
Incidenteel hoger beroep
4.3.
Gelet op het onder 4.2 gegeven oordeel over de ontvankelijkheid van het bezwaar kan het incidenteel hoger beroep niet slagen.
Slotoverwegingen
4.4.
Gelet op 4.2 zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2014.
(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans
(getekend) B. Rikhof

HD