ECLI:NL:CRVB:2014:3512

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 oktober 2014
Publicatiedatum
29 oktober 2014
Zaaknummer
13-1547 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 lid 1 onder g WWBArt. 49 lid 1 onder b WWB
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor huurschuld na ontruiming woning

Appellant heeft bijzondere bijstand gevraagd voor een huurschuld van €4.195,51, maar het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees dit af op grond van artikel 13 lid 1 onder Pro g van de WWB, dat bijstand voor schulden uitsluit indien de betrokkene over middelen beschikt om in noodzakelijke kosten te voorzien.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat het college ten onrechte geen bijzondere bijstand had verleend, omdat er zeer dringende redenen zouden bestaan volgens artikel 49 lid 1 onder Pro b WWB.

De Raad oordeelde dat de beleidsregels bijstandsverlening voor schulden alleen van toepassing zijn bij bedreigende schuldsituaties, zoals dreigende huisuitzetting. Omdat appellant in maart 2012 al was ontruimd, bestond geen dreiging meer en was er geen grond voor bijstand. Het feit dat de ontruiming niet geheel aan appellant te verwijten was, deed hieraan niet af.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De aanvraag voor bijzondere bijstand voor de huurschuld wordt afgewezen omdat geen zeer dringende redenen meer bestaan na ontruiming van de woning.

Uitspraak

13/1547 WWB
Datum uitspraak: 21 oktober 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 februari 2013, 12/2957 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2014. Voor appellant is verschenen mr. Van der Wal. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. D. Ahmed.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.2.
Bij besluit van 14 maart 2012 heeft het college de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) voor de kosten verband houdend met een huurschuld van € 4.195,51 bij Rochdale afgewezen.
1.3.
Bij besluit van 15 mei 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 14 maart 2012 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f (lees: g), van de WWB in beginsel aan bijstandverlening voor de huurschuld in de weg staat en dat geen zeer dringende redenen bestaan voor verlening van bijzondere bijstand voor die schuld.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de WWB heeft degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, geen recht op bijstand. Tussen partijen is niet in geschil dat het voorgaande een beletsel vormt voor verlening van de gevraagde bijzondere bijstand.
4.2.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of het college een juiste toepassing heeft gegeven aan artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB waarin de mogelijkheid is opgenomen om in afwijking van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de WWB bijzondere bijstand voor schulden te verlenen indien daartoe zeer dringende redenen bestaan en de in onderdeel a van dat artikel genoemde mogelijkheid van verlening van bijstand in de vorm van borgtocht geen uitkomst biedt.
4.3.
Het college heeft de voorwaarden voor bijstandsverlening voor schulden en de invulling van het wettelijke begrip zeer dringende redenen als onder 4.2 genoemd, neergelegd - voor zover van belang - in hoofdstuk 9.8.1.1 van de beleidsvoorschriften van de Dienst Werk en Inkomen. Bijstandsverlening voor schulden is slechts mogelijk indien sprake is van bedreigende schuldsituaties. Het gaat dan om schulden die de eerste levensvoorwaarden bedreigen door verlies van de woning, afsluiting van energie of water en onverzekerd zijn voor ziekte.
4.4.
Vastgesteld wordt, zoals appellant ter zitting heeft bevestigd, dat in maart 2012 ontruiming van de woning van appellant heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat ten tijde van het bestreden besluit geen sprake meer was van een dreigende huisuitzetting, zodat appellant niet voldeed aan de in het beleid neergelegde voorwaarden om voor bijstandsverlening in aanmerking te komen. Hierbij speelt geen rol dat, zoals appellant heeft aangevoerd, de huisuitzetting appellant niet (geheel) te verwijten valt.
4.5.
Uit het voorgaande volgt dat het college zich terecht niet bevoegd heeft geacht om de gevraagde bijzondere bijstand aan appellant te verlenen.
4.6.
Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C.R. Schut als voorzitter en W.F. Claessens en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2014.
(getekend) E.C.R. Schut
(getekend) T.A. Meijering

IJ