ECLI:NL:CRVB:2014:3454
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens niet-voltooide wachttijd van 104 weken arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als metselaar, viel op 10 juli 2006 uit wegens knieklachten. Na een periode van arbeidsongeschiktheid werd op 7 juli 2008 vastgesteld dat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. Op 9 juli 2009 meldde appellant zich ziek wegens hartklachten. Het UWV verklaarde hem hersteld per 22 april 2011 en weigerde een WIA-uitkering omdat de wachttijd van 104 weken niet onafgebroken was voldaan.
De rechtbank Gelderland oordeelde in 2013 dat appellant niet voldeed aan de ontstaansvoorwaarden voor een WIA-uitkering omdat hij geen onafgebroken periode van 104 weken arbeidsongeschikt was geweest. Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat hij wel aan de wachttijd voldeed en dat zijn gezondheid recent was verslechterd.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een gedegen onderzoek had verricht, waarbij medische dossiers en cardiologische rapporten waren betrokken. De arts concludeerde dat appellant vanaf 22 april 2011 hersteld was en dat er geen nieuwe ziekmeldingen waren tot het einde van de wachttijd op 7 juli 2011.
De Raad vond geen aanleiding om te twijfelen aan deze conclusie en oordeelde dat appellant zijn standpunt onvoldoende had onderbouwd met medische stukken. De recente verslechtering van zijn gezondheid had geen betrekking op de relevante periode. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.