ECLI:NL:CRVB:2014:3441
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag wegens ernstig plichtsverzuim en weigering WW-uitkering
Appellante was sinds 1 juli 2008 werkzaam bij het regionaal politiekorps Haaglanden. Zij werd op 14 september 2011 ontslagen wegens zeer ernstig plichtsverzuim, nadat zij op 31 mei 2011 haar gedragingen had erkend. Het Uwv weigerde haar WW-uitkering op grond van verwijtbare werkloosheid, omdat de werkloosheid voortvloeide uit een dringende reden, namelijk het ontslag wegens plichtsverzuim.
De rechtbank vernietigde het eerdere besluit van het Uwv en bepaalde dat de periode van beoordeling eindigde op 5 augustus 2011, de datum van het ontslagvoornemen. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat de beoordelingstermijn doorloopt tot het definitieve ontslagbesluit van 14 september 2011, omdat de disciplinaire procedure voortvarend en binnen de geldende termijnen is gevolgd.
De Raad stelt vast dat de gedragingen van appellante in objectieve en subjectieve zin een dringende reden vormden voor ontslag en dat het niet nakomen van de verplichting om werkloosheid te voorkomen haar in overwegende mate kan worden verweten. Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WW-uitkering blijft gehandhaafd.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 22 oktober 2014.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de blijvende gehele weigering van de WW-uitkering wordt bevestigd.