ECLI:NL:CRVB:2014:338
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang wegens geen rechtmatig verblijf in Nederland
Appellanten, een Roma-gezin afkomstig uit Bosnië zonder rechtmatig verblijf in Nederland, verzochten om maatschappelijke opvang op grond van de Wmo. Het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht wees dit verzoek af, waarna appellanten bezwaar maakten en in beroep gingen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het gezin feitelijk onderdak had en dat de weigering van opvang een faire afweging was tussen publieke en particuliere belangen. In hoger beroep betoogden appellanten dat zij op grond van artikel 8 EVRM Pro recht hadden op opvang, mede vanwege de kwetsbare positie van hun kinderen.
De Raad oordeelde dat het recht op privéleven onder artikel 8 EVRM Pro weliswaar positieve verplichtingen kan meebrengen, maar dat de staat een ruime beoordelingsmarge heeft, zeker bij vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf. Het feit dat het gezin feitelijk onderdak had, maakte de weigering van maatschappelijke opvang gerechtvaardigd. Het beroep op artikel 14 EVRM Pro in combinatie met artikel 8 werd Pro eveneens verworpen vanwege het ontbreken van vergelijkbaarheid met andere groepen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van maatschappelijke opvang wordt bevestigd.