ECLI:NL:CRVB:2014:3301
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WGA-vervolguitkering en geen schending verbod reformatio in peius
Appellante was werkzaam als cateringmedewerkster en meldde zich ziek vanwege een cyste in haar lage rug en later een dubbele hernia in haar nek. Het UWV stelde aanvankelijk vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op een WIA-uitkering ontstond. Na diverse periodes van werken en ziekte, diende appellante een aanvraag in voor een WIA-uitkering. Het UWV weigerde deze op basis van een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Na bezwaar wijzigde het UWV dit besluit en kende een loongerelateerde WGA-uitkering toe, gevolgd door een WGA-vervolguitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het verbod van reformatio in peius niet was geschonden. In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt dat het UWV in strijd met dit verbod had gehandeld. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het toekennen van een WIA-uitkering na bezwaar appellante niet in een slechtere positie bracht dan zonder bezwaar. De Raad benadrukte dat het UWV verplicht is artikel 55 van Pro de Wet WIA toe te passen wanneer aan de voorwaarden is voldaan.
De Raad concludeerde dat appellante onvoldoende heeft aangetoond dat zij door het bestreden besluit slechter af is dan wanneer zij pas per 19 oktober 2011 een WIA-uitkering zou hebben ontvangen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de toekenning van de WGA-vervolguitkering en oordeelt dat het verbod van reformatio in peius niet is geschonden.