ECLI:NL:CRVB:2014:3000
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bedrijfskrediet onder opschortende voorwaarden
Verzoeker exploiteert een eenmanszaak in de dierhouderij en vroeg een bedrijfskrediet aan op grond van het Bbz 2004. Het college wees het krediet aanvankelijk af wegens vermeende niet-levensvatbaarheid van het bedrijf, maar na deskundigenadvies en afspraken in een zitting werd een lening van €100.000 toegekend onder opschortende voorwaarden.
Verzoeker kon niet aan enkele voorwaarden voldoen, zoals het overleggen van een accountantsverklaring vanwege gestolen administratie en vond de vestiging van een pandrecht onredelijk. De rechtbank oordeelde echter dat de voorwaarden terecht waren gesteld en dat verzoeker onvoldoende had onderbouwd waarom hij niet aan deze voorwaarden kon voldoen.
Verzoeker vroeg vervolgens een voorlopige voorziening om voorschot bijstand te ontvangen, stellende dat hij zijn huur en bedrijfskosten niet kon betalen. De voorzieningenrechter concludeerde dat geen spoedeisend belang bestond, mede omdat verzoeker een uitkering en toeslagen ontvangt, geen huur betaalt, en een alternatief woningaanbod heeft. Ook was onvoldoende aannemelijk dat de aangevallen uitspraak niet stand zou houden.
De voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. De zaak zal versneld worden behandeld door een meervoudige kamer met een mondelinge behandeling gepland in januari 2015.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en het ontbreken van aanwijzingen dat de aangevallen uitspraak geen stand zal houden.