ECLI:NL:CRVB:2014:2927
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek herleving recht op reiskostenvergoeding op grond van het Overgangsbesluit
Appellante was sinds 1976 werkzaam bij de gemeente Amsterdam en ontving tot 30 september 1991 een tegemoetkoming in reiskosten op grond van de Reiskostenverordening forensen. Met ingang van 1 oktober 1991 werd deze regeling gewijzigd en kwam zij op grond van het Overgangsbesluit in aanmerking voor een tegemoetkoming. Bij haar aanstelling in een functie met salarisschaal 11 op 1 januari 2005 werd de tegemoetkoming stopgezet omdat zij niet meer voldeed aan de voorwaarden van het Overgangsbesluit.
Na een reorganisatie werd appellante op 1 april 2011 aangesteld in een functie met salarisschaal 10A. Zij verzocht in oktober 2011 om herleving van haar recht op tegemoetkoming in reiskosten op grond van het Overgangsbesluit. Dit verzoek werd afgewezen door het college en deze afwijzing werd bevestigd door de rechtbank Amsterdam.
In hoger beroep stelde appellante dat het recht op tegemoetkoming herleefde omdat het Overgangsbesluit niets regelt over herleving van aanspraken. De Raad oordeelde echter dat een strikte letterlijke uitleg tot een ongerijmd resultaat zou leiden en dat het doel van het Overgangsbesluit was om bestaande gevallen te laten uitsterven. Omdat appellante sinds 1 januari 2005 niet meer aan de voorwaarden voldeed, kon het recht niet herleven op 1 april 2011.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek tot herleving van het recht op tegemoetkoming in reiskosten wordt afgewezen omdat het recht sinds 2005 definitief is vervallen.