ECLI:NL:CRVB:2014:289
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- M.F. Wagner
- G. van Zeben-de Vries
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag indicatie voor ondersteunende en activerende begeleiding op grond van de AWBZ
Appellant vroeg op 28 april 2008 een indicatie aan voor ondersteunende en activerende begeleiding op grond van de AWBZ. Het CIZ wees de aanvraag af omdat appellant een strafrechtelijke titel had en forensische zorg beschikbaar zou zijn. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat er een niet-wettelijke voorliggende voorziening was in de vorm van forensische zorg.
Appellant voerde aan dat de gevraagde zorg onder de AWBZ viel en dat CIZ onvoldoende had onderzocht of er daadwerkelijk een voorliggende voorziening was. De Raad overwoog dat op grond van artikel 9a AWBZ en artikel 2 van Pro het Zorgindicatiebesluit (Zib) het CIZ ten tijde van het geschil bevoegd was om de indicatie te stellen, aangezien de wijziging waarbij forensische zorg werd uitgezonderd pas per 1 januari 2011 in werking trad.
Verder oordeelde de Raad dat CIZ onvoldoende had onderbouwd dat appellant niet redelijkerwijs was aangewezen op AWBZ-zorg vanwege beschikbaarheid van forensische zorg. Het besluit berustte op onvoldoende onderzoek en was gebrekkig gemotiveerd, waardoor het niet in stand kon blijven. De Raad draagt CIZ op het gebrek te herstellen en alsnog een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
Uitkomst: Het CIZ wordt opgedragen het besluit te herstellen en alsnog een indicatie voor de gevraagde zorg te stellen.