ECLI:NL:CRVB:2014:2885
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.E. Bakker
- M.C. Bruning
- R.P.T. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering na medische en arbeidskundige beoordeling
Appellant, werkzaam in de kunststofindustrie, ontving sinds 2001 een WAO-uitkering wegens nek-, rug- en schouderklachten. Na herbeoordeling werd deze uitkering in 2008 ingetrokken, waarna appellant zich ziek meldde met psychische klachten en een Ziektewet-uitkering ontving. In 2011 stelde het UWV een WAO-uitkering vast met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%, die later werd herzien naar 45-55%. Appellant maakte bezwaar en kreeg dit gedeeltelijk gelijk, waarna de rechtbank het bezwaar ongegrond verklaarde.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn psychische beperkingen onvoldoende waren meegenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van januari 2011 en dat lichamelijke klachten onterecht waren weggelaten. Hij overhandigde aanvullend psychologisch onderzoek en medische brieven ter onderbouwing. De Raad oordeelde dat de medische beperkingen adequaat waren vastgesteld door verzekeringsartsen en dat de psychische klachten geen aanleiding gaven tot aanvullende beperkingen. Ook de arbeidskundige functies die als passend werden aangemerkt, waren zorgvuldig onderzocht.
De Raad concludeerde dat de aangevallen uitspraak van de rechtbank terecht was en bevestigde het bestreden besluit tot vaststelling van de WAO-uitkering op 55-65% arbeidsongeschiktheid. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering op 55-65% arbeidsongeschiktheid.