ECLI:NL:CRVB:2014:2766
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.P.M. Zeijen
- R.H.M. Roelofs
- P.W. van Straalen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoger beroep bijstand en arbeidsverplichtingen na intrekking en bezwaar
Appellante ontving sinds 1998 bijstand en woonde op een adres waaruit zij vertrokken was. Het college trok de bijstand met ingang van 1 september 2011 in vanwege het ontbreken van medewerking en het niet tijdig indienen van bezwaar. Appellante meldde zich pas op 26 oktober 2011 en vroeg bijstand aan met terugwerkende kracht. Het college kende bijstand toe vanaf die datum en stelde arbeidsverplichtingen vast.
Het bezwaar tegen de intrekking werd niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening en het bezwaar tegen de bijstand vanaf 26 oktober werd ongegrond verklaard. De rechtbank vernietigde het besluit vanwege het ontbreken van een beslissing op het bezwaar tegen verrekening voorschot, maar liet de rechtsgevolgen in stand.
In hoger beroep bevestigde de Raad dat het bezwaar tegen intrekking terecht niet-ontvankelijk was. De Raad oordeelde dat geen bijzondere omstandigheden bestonden om bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen voor de periode vóór 26 oktober 2011. Ook de verrekening van het voorschot werd bevestigd. Het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard voor de arbeidsverplichtingen, nu appellante inmiddels daarvan was vrijgesteld. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt bevestigd met verbetering van gronden en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.