ECLI:NL:CRVB:2014:2738
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij afwijzing bijstandsaanvraag wegens onjuiste woongegevens
Verzoeker diende op 6 december 2012 een aanvraag bijstand in bij de gemeente Rotterdam, waarbij hij verklaarde inwonend te zijn bij kennissen. Het college weigerde de aanvraag op 17 januari 2013 wegens schending van de inlichtingenplicht, omdat verzoeker niet aannemelijk maakte dat hij zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Verzoeker stelde hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter beoordeelde dat het financiële belang van verzoeker spoedeisend was, maar dat het geschil in de bodemprocedure moet worden beoordeeld. Er was een redelijke grond voor het huisbezoek op het opgegeven adres, gezien tegenstrijdigheden in de verstrekte gegevens en het ontbreken van persoonlijke spullen van verzoeker op het adres. Verzoeker kon niet aantonen dat hij daar zijn hoofdverblijf had.
De actuele situatie, waaronder een later huisbezoek en foto's van de caravan, waren niet relevant voor de te beoordelen periode. De voorzieningenrechter concludeerde dat de aangevallen uitspraak naar verwachting in stand blijft en dat er geen zwaarwegend belang was om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker kan een nieuwe aanvraag indienen.
Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de aangevallen uitspraak naar verwachting in stand blijft.