ECLI:NL:CRVB:2014:2711
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening studiefinanciering wegens niet-woonachtig op GBA-adres
Appellant ontving studiefinanciering op basis van de norm voor een uitwonende studerende, terwijl hij volgens de Minister feitelijk als thuiswonend moest worden aangemerkt. De Minister herzag de studiefinanciering en vorderde een bedrag terug, omdat uit controle bleek dat appellant niet op het GBA-adres woonde waar hij stond ingeschreven.
De controleurs betreden zonder toestemming de kamer van appellant, wat een inbreuk op het huisrecht vormde. Hierdoor moesten bevindingen die direct uit die onrechtmatige toegang voortkwamen buiten beschouwing blijven. Echter, de verklaring van de zus over het verblijf van appellant op het GBA-adres werd niet als verboden bewijs aangemerkt omdat deze verklaring los stond van het onrechtmatig binnentreden.
De rechtbank oordeelde dat de verklaring van de zus voldoende grond bood voor de conclusie dat appellant niet woonde op het GBA-adres maar daar slechts incidenteel verbleef. Appellant voerde aan dat de verklaring onjuist was weergegeven en dat er geen toestemming was gegeven, maar de Raad verwierp deze bezwaren. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de herziening van de studiefinanciering en de terugvordering terecht waren en dat de verklaring van de zus als bewijs mocht worden gebruikt. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd omdat het hoger beroep niet slaagde.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening en terugvordering van studiefinanciering blijven in stand.