ECLI:NL:CRVB:2014:2699
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- J.F. Bandringa
- P.W. van Straalen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking bijstand wegens onvoldoende feitelijke grondslag
Appellante ontving vanaf 22 maart 2010 bijstand op grond van de WWB. Naar aanleiding van een fraudemelding startte de gemeente Nijmegen een onderzoek, waarbij onder meer een huisbezoek plaatsvond op 13 maart 2012. Het college besloot de bijstand met terugwerkende kracht in te trekken en de gemaakte kosten terug te vorderen, omdat appellante haar hoofdverblijf niet zou hebben op het uitkeringsadres.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het besluit tot intrekking over de periode van 22 maart 2010 tot 13 maart 2012 onvoldoende feitelijke onderbouwing heeft. De verklaringen van buurtbewoners en bevindingen uit het onderzoek bieden geen voldoende aanknopingspunten om het standpunt van het college te ondersteunen dat appellante niet op het uitkeringsadres woonde.
Wel is vastgesteld dat appellante ten tijde van het huisbezoek op 13 maart 2012 haar hoofdverblijf niet had op het uitkeringsadres. Daarom blijft de intrekking met ingang van die datum wel gehandhaafd. De Raad vernietigt de eerdere uitspraak en het besluit van het college voor het gedeelte tot 13 maart 2012, verklaart het beroep gegrond en veroordeelt het college in de kosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering wordt vernietigd voor de periode tot 13 maart 2012.