ECLI:NL:CRVB:2014:2697
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vergoedingen voor niet opgenomen vakantiedagen als inkomsten bij bijstandsverlening
Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en verrichtte parttime werkzaamheden als flexwerker. Het college bracht de arbeidsinkomsten geheel in mindering op de bijstandsuitkering. Na een klacht van appellant stelde het college vast dat er te weinig inkomsten waren gekort, wat leidde tot een herziening en verrekening met vakantiegeld.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant gegrond en bepaalde dat het college een nieuwe beslissing moest nemen, met name over de vraag of rekening gehouden moest worden met de inkomstenvrijlating volgens artikel 31, tweede lid, WWB. Het college paste vervolgens een vrijlating toe en kende appellant een nabetaling toe.
De Raad beoordeelde of de vergoeding voor niet opgenomen vakantie-uren als inkomen in aanmerking moest worden genomen. Gelet op eerdere jurisprudentie en de bepalingen van de WWB werd bevestigd dat deze vergoedingen tot de middelen behoren en terecht aan de maand van uitbetaling zijn toegerekend. Het hoger beroep van appellant werd ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De vergoedingen voor niet opgenomen vakantiedagen worden terecht als inkomsten tot de bijstandsmiddelen gerekend en het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.