ECLI:NL:CRVB:2014:2659
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling omvang en uurtarief huishoudelijke verzorging met persoonsgebonden budget
De zaak betreft een geschil over de omvang van de huishoudelijke verzorging en het daarbij gehanteerde uurtarief in het kader van een persoonsgebonden budget (pgb) voor de periode van 28 februari 2011 tot en met 27 februari 2016.
Het college had in een besluit van 21 juni 2011 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 juni 2009 onterecht niet-ontvankelijk verklaard. De Raad gaf het college opdracht dit te herstellen door alsnog inhoudelijk op het bezwaar te beslissen. Vervolgens nam het college op 16 januari 2014 een nieuw besluit waarin het bezwaar gegrond werd verklaard en appellante met terugwerkende kracht tot 13 juli 2009 een pgb op basis van een uurtarief van € 17,40 werd toegekend. Het college stelde echter dat dit niet tot nabetaling leidde omdat appellante minder had verantwoord dan toegekend.
Appellante maakte bezwaar tegen het standpunt van het college dat geen nabetaling hoefde plaats te vinden over de periode 2010 tot en met 8 februari 2011. De Raad oordeelde dat het geschil zich uitsluitend richt op het recht op drie uur huishoudelijke verzorging per week en het gehanteerde uurtarief, en niet op de verantwoording achteraf van het pgb. Het beroep tegen het nieuwe besluit werd daarom ongegrond verklaard.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak van de rechtbank Rotterdam voor zover het bezwaar onontvankelijk was verklaard en veroordeelde het college in de proceskosten van appellante, inclusief vergoeding van griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 16 januari 2014 wordt ongegrond verklaard en het bezwaar tegen het besluit van 19 juni 2009 wordt alsnog gegrond verklaard.